Eiser, een Iraakse asielzoeker, is op 12 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De rechtbank overweegt dat alle zware gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser heeft eerder niet meegewerkt aan terugkeer en heeft een inreisverbod en terugkeerbesluit ontvangen waar hij geen gehoor aan gaf. Zijn recente bereidheid tot medewerking verandert hier niets aan. De lichte gronden zijn niet doorslaggevend.
Verweerder heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is om het risico op onttrekking te voorkomen. Er zijn geen feiten die de bewaring onevenredig bezwarend maken. De rechtbank oordeelt dat de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.