ECLI:NL:RBDHA:2026:4168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 17 februari 2026 waarbij aan eiser de maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde onder meer aan dat de zware gronden niet meer op hem van toepassing zouden zijn vanwege het tijdsverloop en dat een lichter middel passend zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de zware gronden feitelijk juist zijn en niet zijn bestreden. Deze gronden, die zich in het verleden hebben voorgedaan, rechtvaardigen de maatregel van bewaring vanwege het risico op onttrekking aan het toezicht. Het beroep op het tijdsverloop deed hieraan niet af. Ook is niet gebleken dat een lichter middel doeltreffend zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig is geweest. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 2 maart 2026 en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Uit de motivering van de maatregel, in het bijzonder de daarin opgevoerde zware en lichte gronden, volgt dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde. Aan de omstandigheid dat in plaats van de tekst ‘het belang van de openbare orde’ is aangekruist de tekst ‘het belang van de nationale veiligheid komt geen betekenis toe, nu laatstgenoemde tekst van geen enkele motivering is voorzien. Er is in zoverre sprake van een kennelijke vergissing.
3. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat gelet op het tijdsverloop grond 3a niet aan hem kan worden tegengeworpen. Over grond 3b stelt eiser dat het enkele feit dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken niet betekent dat hij dit opnieuw zal doen. Ook ten aanzien van grond 3c stelt eiser dat het feit dat hij eerder niet heeft meegewerkt niet betekent dat er geen lichter middel kan worden opgelegd.
5. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden feitelijk juist zijn en dat de feitelijke juistheid niet is bestreden. Deze gronden zijn voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De daarin genoemde gedragingen, die zich naar hun aard in het verleden hebben voorgedaan, dragen alle bij aan het aan te nemen risico op onttrekking. Eisers beroep op het tijdsverloop doet hieraan niet af. De zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking, nu dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Verweerder heeft daarbij onder meer terecht in aanmerking genomen dat eiser zich eerder heeft onttrokken aan het toezicht.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.