ECLI:NL:RBDHA:2026:4169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 12 februari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten nadat verweerder de bewaring op 23 februari 2026 heeft opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening heeft vastgesteld en dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Diverse zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht, zijn feitelijk juist en voldoende onderbouwd.

Hoewel eiser aangeeft bereid te zijn mee te werken aan vertrek en bezwaar maakt tegen enkele gronden, zijn deze bezwaren onvoldoende om de maatregel te vernietigen. De rechtbank acht een lichtere maatregel niet toereikend en constateert geen onrechtmatigheid in de bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8262

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: Mr. J.S.W.Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van dit beroep. Op 16 februari 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op 17 februari 2026 heeft verweerder hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 23 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft op 26 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eisers asielaanvraag van 20 december 2025 is door verweerder niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. chtbank ste
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw. kan de rechtbank indien de bewaring als i opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister terecht vastgesteld dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. De minister heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verder heeft de minister overwogen dat de maatregel noodzakelijk is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat hij bereid is mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland. Ten onrechte wordt eiser verweten dat hij niet zijn juiste of tegenstrijdige personalia heeft opgegeven. Zware grond 3e wordt daarom ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd. Dat eisers asielaanvragen zijn afgewezen kan niet als zelfstandige basis dienen voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De detentie valt eiser zwaar en hij dient op een afdeling te worden geplaatst voor bijzondere zorg. Ten onrechte is geen lichtere maatregel toegepast.
5. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a, 3b, 3f en 3k feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Het enkele feit dat eiser zegt bereid te zijn mee te werken aan zijn terugkeer laat onverlet dat eiser zich eerder op 18 december 2025 niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn overdracht naar Duitsland. Bedoelde zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking, nu dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
6. Verweerder voldoende gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel om het risico op onttrekking te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het feit dat eiser zich eerder niet beschikbaar heeft gehouden voor de geplande overdracht aan Duitsland. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van de Vb.