ECLI:NL:RBDHA:2026:4201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL25.57517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 30a VwArt. 3:2 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag uitstel vertrek

Eiser diende een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar deze aanvraag was onvolledig. De minister gaf eiser een hersteltermijn van twee uren om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Eiser reageerde binnen deze termijn, maar leverde geen volledige informatie, waarna de minister de aanvraag buiten behandeling stelde.

Eiser betoogde dat de hersteltermijn onredelijk kort was, maar de rechtbank oordeelde dat ondanks de korte termijn van twee uren, deze in de specifieke omstandigheden van het geval redelijk was. Eiser was al langere tijd op de hoogte van zijn medische situatie en had voldoende gelegenheid gehad om de benodigde medische stukken te verzamelen.

De rechtbank stelde vast dat eiser de aanvraag enkel had ingediend om zijn overdracht naar Roemenië uit te stellen en dat hij zich niet voldoende had ingespannen om de gevraagde medische gegevens tijdig te verkrijgen. Daarom was het besluit van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57517

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L. Maring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser meent dat de termijn die hij heeft gekregen voor het herstellen van zijn verzuim te kort is geweest en is het niet eens met het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van de hiervoor bedoelde aanvraag ongegrond heeft kunnen verklaren. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 februari 2025 een aanvraag om internationale bescherming ingediend in Nederland. Omdat eiser al internationale bescherming in Roemenië heeft is de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vw. Het beroep hiertegen is ongegrond verklaard en ook het hoger beroep is, op 10 oktober 2025, ongegrond verklaard. Er is op 3 juli 2025 aan Roemenië gevraagd eiser terug te nemen. Roemenië heeft dit verzoek op 7 juli 2025 geaccepteerd.
2.1.
Op 6 oktober 2025 heeft eiser een vertrekgesprek gehad omdat hij op 13 oktober 2025 zou terugvliegen naar Roemenië. Omdat eiser op 1 oktober 2025 was geopereerd aan zijn been en op 14 oktober 2025 een nacontrole gepland stond is het vertrek uitgesteld naar maandag 20 oktober 2025 in de ochtend. Ook voor dit vertrek hebben twee vertrekgesprekken plaatsgevonden.
2.2.
Eiser heeft op 16 oktober 2025 in de avond een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De aanvraag bleek onvolledig. Om die reden heeft de minister op vrijdag 17 oktober 2025 eiser twee uren de tijd gegeven om dit verzuim te herstellen.
2.3.
Binnen deze termijn heeft eiser op de geboden termijn gereageerd maar is geen inhoudelijke reactie ontvangen. De minister heeft de aanvraag daarom met het besluit van 17 oktober 2025 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 21 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Juridisch kader

3. Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
3.1.
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, en slot van de Awb kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van een beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
3.2.
Op grond van artikel 6.1c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) legt de vreemdeling bij een verzoek om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw ten minste de voor de beslissing relevante medische gegevens en overige bescheiden over. In paragraaf A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) staat welke informatie een vreemdeling in ieder geval moet overleggen bij een aanvraag om uitstel van vertrek.
3.3.
In paragraaf A3/7.2.5. van de Vc is opgenomen dat de IND de vreemdeling een termijn geeft om een verzuim te herstellen. Daarbij is opgenomen dat paragraaf B1/3.4.1.3. van de Vc van overeenkomstige toepassing is. Daarin is opgenomen dat de aanvrager die in verzuim is twee weken krijgt om het verzuim te herstellen.
3.4.
In paragraaf A3/7.2.6 van de Vc staat dat als de overgelegde bewijsmiddelen incompleet zijn en de vreemdeling die niet heeft aangevuld, hoewel hij daartoe gelegenheid heeft gehad, de minister het Bureau Medische Advisering (BMA) niet om een advies vraagt.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt vast dat de minister een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw buiten behandeling kan stellen indien deze aanvraag, ook nadat een termijn is gegeven om een verzuim te herstellen, niet compleet is.
4.1.
Volgens het beleid van de minister krijgt een vreemdeling voor het herstellen van dit verzuim twee weken de tijd. In dit geval is aan eiser een termijn van twee uren gegeven. Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens ontbreken en dat deze noodzakelijk zijn om te kunnen beslissen op de aanvraag. Ook is niet in geschil dat de minister een herstelverzuimtermijn heeft geboden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de door de minister geboden hersteltermijn niet onredelijk kort is.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat het bieden van een termijn van twee uren in dit geval, gelet op de bijzondere omstandigheden, redelijk was. Er stond een overdracht gepland naar Roemenië en eiser heeft zelf verklaard dat hij de artikel
64-aanvraag enkel heeft ingediend om de overdracht uit te stellen. Daarbij is niet gebleken dat eiser de benodigde medische zorg in Roemenië niet kan krijgen.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld, dat een hersteltermijn afgestemd moet zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. [2] De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren. Per situatie moet dan ook beoordeeld worden wat een redelijke termijn is.
6.1.
Om te kunnen beoordelen of de minister van het onder 3.3. weergegeven beleid heeft kunnen afwijken en de gegeven termijn voor herstel van het verzuim redelijk is, is van belang of het voor eiser mogelijk was om de gevraagde gegevens binnen de gegeven termijn aan te leveren.
6.2. In dit verband constateert de rechtbank allereerst dat een hersteltermijn van twee uren een korte periode is. In deze situatie, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, is de termijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet onredelijk kort en is niet gebleken dat het voor eiser niet mogelijk was om de gevraagde gegevens binnen de termijn aan te leveren. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in de avond van 16 oktober 2025 een onvolledige aanvraag heeft ingediend, waarvan eiser wist dat deze pas op vrijdag 17 oktober 2025 gezien zou worden. Ook wist eiser dat hij op maandag 20 oktober 2025 vroeg in de ochtend naar Roemenië zou vliegen. Daarnaast heeft eiser tijdens zijn vertrekgesprek op
17 oktober 2025 verklaard dat hij de aanvraag enkel heeft ingediend om overdracht te voorkomen. Hoewel uit het dossier [3] blijkt dat eiser de GZA-arts en de specialist (op
16 oktober 2025 in de avond en) op 17 oktober 2025 in de ochtend per e-mail heeft gevraagd met spoed de benodigde medische informatie te verstrekken, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen meewegen dat eiser niet pas vanaf het moment dat het herstelverzuim was geboden in de gelegenheid was om de medische stukken te verzamelen. Eiser was immers al langere tijd op de hoogte van zijn medische situatie en de overdracht aan Roemenië. Hij was in ieder geval vanaf de datum van zijn operatie,
1 oktober 2025, in de gelegenheid om de benodigde medische stukken te verzamelen. Niet is gebleken dat eiser zich heeft ingespannen om deze stukken te verkrijgen voordat hij de aanvraag indiende. Vervolgens heeft eiser in de ochtend van 20 oktober 2025 de opvang verlaten en is met onbekende stemming vertrokken, waardoor het voor de GZA-arts niet langer mogelijk was de gevraagde informatie te verstrekken. [4] Niet is gebleken dat de gevraagde gegevens van de specialist van eiser wel door eiser zijn overgelegd. Ook tijdens de zitting is naar voren gebracht dat tot op heden geen nadere medische stukken zijn opgevraagd of verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet genoegzaam aangetoond dat het voor hem niet mogelijk was om de gevraagde gegevens binnen de gegeven korte termijn aan te leveren. [5] De rechtbank overweegt daarbij dat het aan eiser is om een volledige aanvraag in te dienen, zeker nu hij zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de het bezwaar terecht ongegrond is verklaard en eiser geen uitstel van vertrek krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.57518.
2.Uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3213, zoals ook herhaald in de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4426.
3.Bijlagen bij bezwaarschrift d.d. 20 oktober 2025.
4.Verklaring GZA 20 oktober 2025, bijlage bij bezwaarschrift d.d. 20 oktober 2025.
5.Uitspraak van 17december 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2019:10107.