ECLI:NL:RBDHA:2026:4249
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 4 maart 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag. De minister van Asiel en Migratie had op 16 januari 2026 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoeker.
Verzoeker had echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een lopende beroepsprocedure is tegen het besluit op bezwaar. Omdat dit niet het geval was, werd het verzoek als kennelijk niet-ontvankelijk beoordeeld.
De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, en is definitief; tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar.