ECLI:NL:RBDHA:2026:425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695339 / KG ZA 25-1178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot onmiddellijke opname van tbs-passant in tbs-kliniek na zorgplichtschending door de Staat

In deze zaak vordert de eiser, verblijvend in de penitentiaire inrichting, onmiddellijke opname in een tbs-kliniek. De eiser is eerder veroordeeld tot tbs met voorwaarden, maar door een gebrek aan beschikbare plaatsen in tbs-klinieken is hij langer dan de wettelijk voorgeschreven termijn van vier maanden in de PI vastgehouden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Staat onrechtmatig handelt door de eiser niet tijdig te plaatsen, maar wijst de vordering af. De voorzieningenrechter oordeelt dat, hoewel de situatie van de eiser zorgelijk is, het niet aan de rechter is om een extra voorrangscategorie te creëren voor tbs-passanten. De vordering van de eiser wordt afgewezen, en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de problematiek van tbs-passanten en de zorgplicht van de Staat, maar concludeert dat de huidige wetgeving en het beleid geen ruimte bieden voor onmiddellijke plaatsing van de eiser in een tbs-kliniek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695339 / KG ZA 25-1178
Vonnis in kort geding van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser]verblijvend in de PI [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. M.J. Schimmel te Bussum,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)zetelend te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 december 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord van de zijde van de Staat met producties;
- de op 30 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 april 2021 veroordeeld voor bedreiging, belaging en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze feiten [eiser] verminderd kunnen worden toegerekend. De rechtbank heeft [eiser] een gevangenisstraf van elf maanden en een tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd. Een van deze voorwaarden hield in dat [eiser] zich zou laten behandelen in een forensische zorginstelling. De tbs met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar verklaard. [eiser] is niet in hoger beroep gegaan van het vonnis.
2.2.
[eiser] heeft na 22 april 2021 in verschillende instellingen verbleven. Er hebben zich incidenten voorgedaan op de Forensisch Psychiatrische Afdeling [plaats 2] . De officier van justitie heeft daarna een vordering ingediend die ertoe strekte om de tbs met voorwaarden om te zetten in een tbs met dwangverpleging. De rechtbank Den Haag heeft die vordering toegewezen, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze beslissing op 6 juli 2023 vernietigd. Het hof was van oordeel dat [eiser] nog een kans moet krijgen om met gebruik van medicatie een nieuwe behandelpoging te laten slagen.
2.3.
De rechtbank Den Haag heeft bij beslissing van 25 juli 2023 de termijn voor de aan [eiser] opgelegde tbs met voorwaarden met twee jaar verlengd, onder handhaving van de voorwaarden, zoals gewijzigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2.4.
[eiser] heeft na de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in twee verschillende klinieken gezeten. Een geweldsincident met een medepatiënt maakte dat de laatste kliniek waar [eiser] toen verbleef geen mogelijkheden meer zag om voor hem een nieuwe behandelpoging te ondernemen. Ook andere klinieken zagen dat niet zitten. De officier van justitie heeft een nieuwe vordering ingediend om de tbs met voorwaarden om te zetten in tbs met dwangverpleging. De rechtbank Den Haag heeft bij beslissing van 22 december 2023 de vordering toegewezen en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dit oordeel bij beslissing van 16 mei 2024 bekrachtigd.
2.5.
[eiser] heeft vanaf 19 november 2023 tot 12 mei 2024 in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) [regio] verbleven, daarna is hij overgeplaatst naar de penitentiaire inrichting (PI) [plaats 1] .
2.6.
Met het onherroepelijk worden van de omzetting van de tbs met voorwaarden naar de tbs met dwangverpleging op 16 mei 2024 is de wettelijke termijn van vier maanden [1] aangevangen waarbinnen [eiser] in een tbs-kliniek geplaatst zou moeten worden. Omdat er voor [eiser] op dat moment geen plaats beschikbaar was, is hij in de PI [plaats 1] vastgehouden.
2.7.
De bezetting van tbs-klinieken fluctueert over de tijd. In de jaren 2008-2016 is de tbs-bezetting aanvankelijk afgenomen. Sinds 2020 is er echter weer sprake van een toename. Een tot tbs veroordeelde persoon die wacht op plaatsing in een tbs-kliniek wordt een (tbs)passant genoemd. Op het moment van de mondelinge behandeling in dit kort geding zijn er in Nederland 270 tbs-passanten die in een penitentiaire inrichting verblijven in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek.
2.8.
Vanwege dit capaciteitstekort wordt gebruik gemaakt van wachtlijsten. Deze wachtlijsten zijn gebaseerd op chronologie, dat wil zeggen dat de wachtlijsten uitgaan van de datum van onherroepelijk worden van de tbs-veroordeling, of, als naast tbs ook een gevangenisstraf is opgelegd (een zogeheten combinatievonnis) en die gevangenisstraf op het moment waarop de veroordeling onherroepelijk wordt nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, van de (fictieve) datum van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Ten aanzien van elke tot tbs veroordeelde persoon wordt een indicatiestelling forensische zorg opgesteld, waaruit een bepaald zorg- en beveiligingsniveau voortvloeit. Op grond van de indicatiestelling in combinatie met het uitgangspunt van regioplaatsing, worden passanten na een intake op de wachtlijst gezet van de specifieke, bij hem of haar passende afdeling van één van de tbs-klinieken. Er is dus geen sprake van één landelijke wachtlijst, maar van meerdere wachtlijsten behorende bij de verschillende soorten afdelingen van de afzonderlijke tbs-klinieken.
2.9.
Daarnaast hanteert de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) een voorrangsbeleid ten aanzien van drie algemene categorieën. Aan passanten die in één van deze drie categorieën vallen komt voorrang toe ten opzichte van de passanten die alleen op basis van chronologie een positie op een wachtlijst hebben. Het gaat daarbij om i) tbs-gestelden met een gemaximeerde tbs, ii) tbs-gestelden die verblijven op de prepassanten-afdeling van PI [plaats 3] (veroordeelden met een combinatievonnis worden hier in de laatste 6 tot 12 maanden van hun gevangenisstraf geplaatst) en iii) personen aan wie tbs is opgelegd bij overname (op grond van de WETS [2] ) van de tenuitvoerlegging van de aan hen in het buitenland opgelegde straf. [eiser] valt niet onder een van deze drie voorrangscategorieën.
2.10.
Op 11 juli 2024 is een indicatiestelling voor forensische zorg voor [eiser] afgegeven. Voor [eiser] is plaatsing in een FPC (forensisch psychiatrisch centrum) met het hoogste risicomanagement aangewezen. [eiser] is op de wachtlijst voor [naam FPC] geplaatst. [eiser] verblijft momenteel nog steeds in de PI [plaats 1] , in afwachting van plaatsing.
2.11.
Bij beslissing van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2025 is de tbs van [eiser] nogmaals met een termijn van twee jaar verlengd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beslissing van 23 oktober 2025 de verlenging in stand gehouden. Het gerechtshof heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
Passantenproblematiek
Bij het voorgaande heeft het hof in aanmerking genomen dat het hof op 16 mei 2024 heeft beslist dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd en dat de terbeschikkinggestelde sindsdien (als zogenoemde passant) in een penitentiaire inrichting verblijft in afwachting van plaatsing in een forensisch psychiatrisch centrum. De huidige situatie is dat terbeschikkinggestelde op de wachtlijst staat van [kliniek], maar dat nog niet bekend is wanneer daar een plek vrijkomt voor de terbeschikkinggestelde.
Daarmee maakt de terbeschikkinggestelde deel uit van een groep terbeschikkinggestelden die door wachtlijsten bij tbs-klinieken aanmerkelijk langer dan een jaar in een penitentiaire inrichting verblijven in afwachting van een plaatsing in een tbs-kliniek. Deze zeer onwenselijke situatie is inmiddels algemeen bekend en verschillende rechtbanken hebben er al aandacht voor gevraagd in hun beslissingen (bijvoorbeeld in ECLI:NL:RBMNE:2025:1154). De casus van de terbeschikkinggestelde laat eens te meer zien hoe belastend dit probleem kan zijn voor getroffen terbeschikkinggestelden, die daardoor langer hun vrijheid kwijt zijn en langdurig verkeren in onzekerheid. Evenmin kunnen zij daardoor de behandelingen en begeleiding krijgen die zij nodig hebben en waarvoor de terbeschikkingstelling mede is bedoeld.
De lange wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek vormt voor het hof echter geen reden om de terbeschikkingstelling niet te verlengen of opdracht te geven tot onderzoek naar de mogelijkheden van een ander juridisch kader. Gelet op het aanwezige delictgevaar en de gronden voor het op 16 mei 2024 gegeven bevel dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, is het hof van oordeel dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is met het oog op de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen.
2.12.
Op 16 oktober 2025 heeft mevrouw [naam] , inrichtingspsycholoog van de PI [plaats 1] , die [eiser] behandelt, op schrift gesteld dat de huidige situatie vanuit het oogpunt van zorg een onwenselijke situatie is en zij heeft gepleit voor een snelle opname van [eiser] in een tbs-setting:
Betrokkene is bekend met persoonlijkheidsproblematiek en is in het verleden meerdere keren psychotisch geweest, waarvoor hij nog steeds medicatie gebruikt. Sinds lange tijd (mei 2024) is betrokkene in detentie in afwachting van zijn plaatsing in de kliniek in het kader van TBS dwang. Hij is hiervoor gemotiveerd en betrokkene wil graag werken aan zijn problematiek. Echter gevoelens van machteloosheid en uitzichtloosheid hebben inmiddels de overhand gekregen omdat de datum van opname keer op keer wordt uitgesteld en niet duidelijk is wanneer de noodzakelijke behandeling van start gaat. Door zijn psychotische kwetsbaarheid is betrokkene snel overprikkeld. Hij kan niet goed tegen veranderingen en stress loopt al snel op. Betrokkene wordt dan angstig en kan in paniek raken. We zien dit nu in toenemende mate gebeuren. Het duurt dan weken of langer voordat betrokkene weer meer in evenwicht is. Betrokkene heeft sinds 3 juli 2024 wekelijks gesprekken nodig met ondergetekende. Hij zit in een overlevingsmodus wat hem veel energie kost. De focus heeft de afgelopen anderhalf jaar daardoor vooral gelegen op het stabiliseren en stabiel blijven. Dat wil zeggen: niet psychotisch worden en zorgen dat de angst niet de overhand krijgt. Ondertussen ervaart betrokkene cognitieve problemen; Hij kan zich toenemend minder goed concentreren en heeft geheugenproblemen waardoor het functioneren in detentie bemoeilijkt wordt. Er kan in detentie dus geen behandeling worden gegeven. Het leven van betrokkene staat op ‘on hold’ en hij heeft er veel moeite mee dat hij al zo lang in de wachtstand staat. Vanwege de aanhoudende onduidelijke situatie wat betreft de ingangsdatum voor opname, is het inmiddels vooral trachten betrokkene niet verder te laten verslechteren. Wij als behandelaren (psycholoog en psychiater) vinden het vanuit het oogpunt van zorg een onwenselijke situatie en willen dan ook pleiten voor een snelle opname in een TBS-setting.
2.13.
Op 4 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] bij Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) (weer) gevraagd of er al meer duidelijkheid is over een plaatsingsdatum voor [eiser] . De selectiefunctionaris van DJI heeft daarop bericht dat [naam FPC] geen indicatie kan geven van opname en dat sprake is van stagnatie van de doorstroom en uitstroom.
2.14.
Bij brief van 11 november 2025 heeft mr. Schimmel de Staat gesommeerd om [eiser] binnen 15 dagen na verzending van zijn brief te plaatsen in [naam FPC] , althans een soortgelijke kliniek, en hij heeft de Staat in gebreke gesteld voor het geval [eiser] dan niet in een kliniek is geplaatst. De Staat heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie.
2.15.
[naam FPC] wordt momenteel uitgebreid en de verwachting is dat in de eerste helft van 2026 een nieuwe afdeling geopend zal worden met plaats voor 24 terbeschikkinggestelden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de Staat te gebieden om [eiser] onmiddellijk althans binnen de kortst mogelijke door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, te plaatsen in, [naam FPC] , althans een vergelijkbare kliniek;
II. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding;
III. althans zulk een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] niet tijdig, dat wil zeggen binnen de maximale termijn van 4 maanden in een tbs-kliniek te plaatsen. De Staat zal er ook de komende jaren niet in slagen in die situatie verbetering aan te brengen. De huidige situatie voor [eiser] is onmenselijk. Deze zorgplichtschending brengt met zich dat [eiser] , al dan niet tezamen met passanten in een vergelijkbare status, als prepassant aangemerkt moet worden.
Verder geldt dat specifiek voor [eiser] geldende (zwaarwegende) omstandigheden rechtvaardigen dat in zijn geval afgeweken behoort te worden van het voorrangsbeleid van de Staat voor plaatsing in een tbs-kliniek.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] stelt dat de Staat gehouden is om hem onmiddellijk, of binnen de kortst mogelijke termijn, in [naam FPC] (of een vergelijkbare instelling) te plaatsen, zodat zijn tbs-behandeling kan beginnen. Hierna zal worden uitgelegd waarom deze vordering van [eiser] niet zal worden toegewezen, hoezeer zijn eis om op de kortst mogelijke termijn te worden opgenomen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de woorden van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de zaak van [eiser] eens te meer laat zien hoe belastend het tbs-passanten probleem voor getroffen terbeschikkinggestelden kan zijn.
4.2.
[eiser] voert aan dat de Staat op twee punten zijn zorgplicht schendt. Deze schending bestaat allereerst uit schending van artikel 3 EVRM, doordat passanten (en specifiek [eiser] ) zonder uitzicht – en daarmee niet menswaardig – door de Staat worden vastgehouden, en daarnaast doordat de Staat geen prepassantenstatus creëert voor de groep waartoe [eiser] behoort, namelijk de groep van tbs-patiënten die in een PI verblijft in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek na omzetting van een eerder onder voorwaarden opgelegde tbs-maatregel naar tbs met dwangverpleging. Deze aangevoerde gronden kunnen afzonderlijk, maar ook samen bezien, niet tot toewijzing van het gevorderde leiden.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het verblijf van een tbs-gestelde in een PI, zolang het niet mogelijk is om tot opname over te gaan, wel op een wettelijke grondslag berust. De vrijheidsbeneming als zodanig is dan ook niet onrechtmatig. Dat de Staat wel onrechtmatig handelt doordat [eiser] niet binnen vier maanden in een tbs-kliniek is geplaatst, is tussen partijen niet in geschil. In zoverre is onmiskenbaar sprake van een zorgplichtschending van de Staat jegens [eiser] . Een schending die niet alleen [eiser] treft, maar ook vele andere tbs-passanten. Het is zorgelijk dat allerminst te verwachten is dat de Staat op korte termijn alsnog aan zijn (wettelijke) verplichtingen jegens tbs-passanten zal kunnen voldoen en (dus) structureel niet in staat zal zijn tijdig de door de rechter opgelegde dwangverpleging voor deze tbs-passanten gestalte te geven. Het aantal wachtenden is, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit de door de Staat gedeelde cijfers, ook het afgelopen jaar nog verder opgelopen. [eiser] vordert onder inroeping van de (structurele) zorgplichtschending nu in wezen voorrang te krijgen op andere tbs-passanten die, net zoals hij, niet in één van de drie voorrangscategorieën zijn geplaatst. Zou de voorzieningenrechter deze vordering toewijzen dan zou dat stellig met zich brengen dat [eiser] eerder wordt geplaatst dan andere tbs-passanten die al (veel) langer op een plaats wachten en van wie de situatie mogelijk zelfs nijpender is dan die van [eiser] . Dat zou tegenover hen niet te rechtvaardigen zijn.
4.4.
Dat de wetgever voor tbs-passanten zoals [eiser] geen voorrangscategorie heeft gecreëerd, ook niet na verschillende hartenkreten vanuit de rechtspraak, maakt evenmin dat [eiser] ’ vordering die gericht is op onmiddellijke (althans zo spoedig mogelijke) plaatsing in een tbs-kliniek toewijsbaar is. Het is niet aan de voorzieningenrechter om binnen het beperkte kader van dit kort geding – mede gelet op onder meer de beperkte informatie die over de afzonderlijke wachtlijsten, de voorgeschiedenis van de huidige tbs-passanten en de verwachte instroom van tbs-passanten beschikbaar is – een extra voorrangscategorie te creëren. De gevolgen daarvan op het huidige beleid van de Staat zijn eenvoudigweg niet te overzien. Zoals al eerder in kort geding is geoordeeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het maken van de noodzakelijke afwegingen over het al dan niet, en zo ja op welke wijze, aanpassen van het voorrangsbeleid, thuishoort bij de Staat en niet bij de voorzieningenrechter die in voorkomende gevallen (slechts) tot taak heeft te toetsen of de Staat in redelijkheid tot het (aangepaste) beleid heeft kunnen komen (vergelijk: het vonnis van 18 maart 2025 van de voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:4184)). Ook hierin kan geen grond voor voorrang bij plaatsing worden gevonden.
4.5.
Ook in de door [eiser] aangevoerde persoonlijke omstandigheden wordt geen aanleiding gevonden om af te wijken van het (voorrangs)beleid van de Staat. Dat de aanhoudende onzekerheid en onduidelijkheid over de ingangsdatum van zijn behandeling bij [eiser] tot cognitieve problemen lijdt en hem in een overlevingsmodus zet, zoals beschreven door de inrichtingspsycholoog van DJI, is ronduit nijpend. Aan de ernst daarvan kan niet worden voorbijgegaan, maar niet kan worden aangenomen dat de problemen die [eiser] ervaart zich in substantiële mate onderscheidt van die van andere tbs-passanten die in deze benarde positie verkeren. In dat verband is ook van belang dat [eiser] , anders dan andere tbs-passanten, momenteel in de PI verblijft, en niet in een PPC, waar wel sprake is van een behandelsetting en waarvan gebruik wordt gemaakt als de situatie van de betrokken tbs-passant daartoe aanleiding geeft. Kennelijk is het voor [eiser] nog mogelijk om met behulp van begeleiding en medicatie binnen de PI te verblijven. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het standpunt van de zijde van [eiser] dat hij weliswaar in de PI verblijft, maar dat de enige reden daarvoor is dat hij al in een eerder stadium voor de maximale wettelijke duur in een PPC heeft verbleven, zodat, aldus [eiser] , om die reden geen conclusies getrokken kunnen worden uit het feit dat [eiser] in een PI verblijft. Hoewel het juist is dat de wet voorschrijft dat plaatsing van een tbs-passant in een PPC maximaal een jaar mag duren (artikel 6.3 lid 2 Wfz), is het onaannemelijk dat tegen de achtergrond van de veelvuldige overschrijdingen van de vier maanden-termijn zoals genoemd in artikel 6.3 lid 1 Wfz, hier streng de hand aan wordt gehouden. Van de zijde van de Staat is ter zitting ook aangevoerd dat als in een concreet geval plaatsing in een PPC is aangewezen dat gebeurt, ongeacht de duur van het verblijf in zo’n PPC. Overigens volgt ook uit de rechtspraak dat de termijn van één jaar niet strikt gehandhaafd wordt. Zo blijkt uit bijvoorbeeld het vonnis van 18 maart 2025 van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:1154) dat de tbs-passant in kwestie
“in afwijking van de (…) genoemde wettelijke termijnen”al veel langer in een penitentiair psychiatrisch centrum verblijft. Het moet er dus voor worden gehouden dat er in ieder geval voor nu nog mogelijkheden worden gezien om [eiser] binnen de PI te laten verblijven.
4.6.
Hoewel de door [eiser] beschreven gevoelens van uitzichtloosheid invoelbaar zijn, is voor wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden ook van belang dat er een reële verwachting is dat de nieuwbouwuitbreiding van [naam FPC] in het eerste half jaar van 2026 gerealiseerd zal worden. Met uitbreiding van de kliniek zal een substantieel aantal plaatsen beschikbaar komen. Hoewel de Staat geen garanties voor plaatsing van [eiser] heeft willen geven, heeft hij wel de verwachting uitgesproken dat er in die periode voor [eiser] een plek beschikbaar komt. Ook deze omstandigheid, naast zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de duur van zijn wachttijd, dragen er aan bij dat er geen grond voor ingrijpen wordt gevonden. Ook voor het treffen van enige andere voorziening is voor nu geen aanleiding. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
ddg

Voetnoten

1.Artikel 6.3 lid 1 Wet forensische zorg (Wfz)
2.WETS: Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.