AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser is sinds 2 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Hij voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Senegal vanwege het langdurige lopende lp-aanvraagproces en dat een lichter middel passend zou zijn, mede gezien zijn verblijf bij familie en lopende procedures.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin het ontbreken van zicht op uitzetting reeds is beoordeeld en constateert dat de situatie sindsdien niet wezenlijk is veranderd. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend om zijn uitzetting te bespoedigen, en het risico van onttrekking blijft bestaan. De enkele omstandigheid van een vaste verblijfplaats in Nederland weegt niet op tegen dit risico.
De belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst, ook niet gezien de duur van de bewaring van ongeveer vier maanden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een zwaarder gewicht aan de belangen van eiser geven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Verweerder heeft op 2 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 16 februari 2026.
Overwegingen
Toetsingskader
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 januari 2026 (in de zaak NL26.330) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt, nu de lp-aanvraag van eiser al sinds 29 januari 2025 loopt en er na meer dan vier maanden na zijn inbewaringstelling nog altijd geen laissez-passer (lp) voor hem is afgegeven. Gelet op de omstandigheid dat verweerder intensieve inspanningen heeft geleverd zonder concreet resultaat, is eiser van mening dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt.
4. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Senegal eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 12 januari 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 3 van deze uitspraak. De situatie is sindsdien niet zodanig veranderd dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Het tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank opnieuw dat op eiser de plicht rust om actieve en volledige medewerking te verlenen om uitzetting te bewerkstelligen. Hoewel eiser in het verleden heeft meegewerkt aan een presentatie op 12 februari 2025, blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 30 januari 2026 dat hij nog altijd geen actie heeft ondernomen om aan (reis)documenten te komen die zijn uitzetting kunnen bespoedigen, wat maakt dat hij de vereiste medewerking nog niet verleent. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder niet dat de Senegalese autoriteiten de lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel en belangenafweging
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser stelt te kunnen verblijven bij zijn familie in Heerenveen en derhalve traceerbaar te zijn voor verweerder. Daarnaast heeft hij nog procedures lopen om zijn verblijfsrecht in Nederland te realiseren. Dat dit eerder onvoldoende is geacht voor het opleggen voor een lichter middel doet daar aan af, omdat de toetsing van eisers belangen zwaarder wordt naarmate de bewaring voortduurt. Eiser is dan ook van mening dat na vier maanden in bewaring te hebben verbleven, de belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen.
6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken van 12 januari 2026 (NL26.330), overweging 5, en van 28 november 2025 (NL25.56299), overweging 6. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, waardoor verweerder nu wel moest overgaan tot het opleggen van een lichter middel. Het aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde risico van onttrekking is onverminderd van toepassing. Hierbij wordt gewezen op de verslagen van de vertrekgesprekken van 1 en 30 januari 2026 waaruit kan worden opgemaakt dat eiser niet voornemens is terug te keren naar Senegal. De enkele gestelde omstandigheid dat eiser een vaste verblijfplaats heeft in Nederland, doet aan het onttrekkingsrisico niet af. De rechtbank is evenmin gebleken van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken.
7. Voor wat betreft de vraag of verweerder een belangenafweging had moeten maken overweegt de rechtbank als volgt. De huidige bewaringsmaatregel is opgelegd op 2 oktober 2025, wat betekent dat eiser ongeveer vier maanden in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer
gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaanden-termijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken.
8. De onder 5. weergegeven beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.