ECLI:NL:RBDHA:2026:4266
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 17 november 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 5 december 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht om een voorlopige voorziening, maar partijen wensten geen behandeling op zitting. De rechtbank onderzocht of eiser nog een actueel en reëel belang had bij inhoudelijke behandeling van het beroep.
De minister meldde dat eiser op 12 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken, en de gemachtigde van eiser gaf aan sinds februari 2026 geen contact meer te hebben en niet te weten waar eiser verblijft. De rechtbank oordeelde dat dit betekent dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelde het beroep niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en geen contact meer met gemachtigde.