ECLI:NL:RBDHA:2026:4358
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting huur na overlijden huurder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze zaak vordert eiser voortzetting van de huurovereenkomst van een woning na het overlijden van zijn moeder, op grond van artikel 7:268 BW Pro, omdat hij stelt een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar te hebben gevoerd.
De kantonrechter beoordeelt of eiser voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden: hoofdverblijf in de woning, duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder, en voldoende financiële waarborg voor huurbetaling. Uit het dossier blijkt dat eiser sinds 2006 niet meer op het gehuurde adres staat ingeschreven en sinds 2008 een kamer huurt op een ander adres. Foto’s en bonnen die eiser overlegt, zijn onvoldoende om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. Ook is niet gebleken dat vaste lasten gedeeld werden. De financiële waarborg is onvoldoende onderbouwd, aangezien alleen een loonstrook is overgelegd zonder duidelijkheid over de duur van het contract.
Haag Wonen vordert in reconventie ontruiming van de woning, omdat de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van eiser geen reële kans van slagen heeft en dat sprake is van misbruik van recht. Daarom wordt de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Eiser wordt in zowel conventie als reconventie in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt mondeling uitgesproken door de kantonrechter.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen en de ontruiming van de woning wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.