Eiser diende op 28 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Arnhem had de minister bij uitspraak van 7 april 2025 opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen. De minister wees de aanvraag op 13 augustus 2025 af, waarna eiser beroep instelde. De minister trok het besluit op 7 oktober 2025 in, waarna eiser het beroep handhaafde tegen het niet tijdig opnieuw beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat het intrekken van het besluit het onredelijk maakt om een ingebrekestelling te eisen. De minister heeft tot op heden geen nieuw besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met de overschrijding van de wettelijke 21-maandentermijn. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd voor het niet naleven van deze termijn. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad €934.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier A.W. van Eerden op 4 maart 2026.