Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 12 januari 2024, waarna de minister de uiterste beslistermijn van 21 maanden overschreed. Eiser stelde de minister op 17 oktober 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken, vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bevestigt dat het beroep gegrond is. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting, en de uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 maart 2026.