ECLI:NL:RBDHA:2026:4548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/20164 en AWB 24/20165
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning na beëindiging relatie met onvoldoende belangenafweging minderjarige dochter

Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg zijn verblijfsvergunning ingetrokken nadat zijn relatie met de referent was beëindigd. De intrekking werd met terugwerkende kracht vastgesteld per datum van beëindiging relatie. Eiser en zijn minderjarige dochter verbleven sinds 2018 in Nederland; aan de dochter werd voortgezet verblijf verleend op humanitaire gronden.

Eiser voerde aan dat de belangenafweging door verweerder onjuist was, met name omdat de belangen van zijn dochter onvoldoende waren betrokken, terwijl het belang van het kind prevaleert. Ook stelde hij dat verweerder ten onrechte het belang van de Nederlandse staat te zwaar had meegewogen en onvoldoende rekening had gehouden met zijn bijdrage aan de economie en het behalen van het inburgeringsexamen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aanvankelijk onvoldoende had onderzocht wat de gevolgen van intrekking voor de dochter zouden zijn, maar dat dit gebrek ter zitting was hersteld door nadere motivering. Verweerder had toegelicht dat de dochter eerder in Ghana had gewoond, contact onderhoudt met familie daar, en dat zij mogelijk zonder haar vader in Nederland kan verblijven. De rechtbank vond dat hiermee een fair balance was gemaakt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege de aanvullende motivering. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende motivering, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na aanvullende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/20164 en AWB 24/20165
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 in de zaken tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser),

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Köse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van de Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 19 april 2024 het verblijfsrecht van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De dochter van eiser heeft de zitting bijgewoond.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser en zijn minderjarige dochter, [minderjarige], hebben vanaf 14 juli 2021 een verblijfsvergunning gehad voor verblijf bij de voormalige partner van eiser (referent). Verweerder heeft met het bestreden besluit de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht per 12 december 2022, de datum dat de relatie met eisers referent is beëindigd. Eiser en zijn dochter zijn sinds 2018 in Nederland. Aan de dochter van eiser heeft verweerder op 19 april 2024 ambtshalve een vergunning verleend op niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf).
3. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken en geconcludeerd dat de intrekking geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM [1] oplevert. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser gezinsleven heeft met zijn dochter en dat hij privéleven heeft opgebouwd in Nederland. De belangenafweging die verweerder vervolgens heeft gemaakt in het kader van de inmenging in het gezinsleven en privéleven van eiser is in zijn nadeel uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. Verweerder heeft geen ‘fair balance’ gemaakt tussen de belangen van de Nederlandse staat en de belangen van eiser. Het belang van de Nederlandse staat is enkel gelegen in het beschermen van de economie, terwijl eisers belang en dat van zijn dochter is gelegen in het uitoefenen van gezinsleven. Verweerder heeft bovendien de belangen van eisers dochter onvoldoende betrokken in de besluitvorming, terwijl het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn en dient te prevaleren boven algemene belangen. [2] De belangen van de dochter van eiser zijn onvoldoende betrokken in de belangenafweging en er is ten onrechte niet beoordeeld of de beslissing over het verblijfsrecht van eiser een inbreuk vormt op rechten van eisers dochter in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Aan de dochter van eiser is weliswaar verblijfsrecht verleend in Nederland, maar zij is nog afhankelijk van eiser en zal hem moeten volgen naar Ghana als hij geen verblijfsrecht krijgt. Daarmee wordt het haar verleende voortgezet verblijf teniet gedaan, terwijl die verblijfstitel juist bedoeld is om de belangen van kinderen te beschermen en te laten prevaleren. Ten aanzien van de belangenafweging die is verricht in het kader van de inmenging in het privéleven van eiser, voert hij aan dat niet is onderkend dat eiser juist bijdraagt aan de Nederlandse economie. Ook heeft verweerder ten onrechte in eisers nadeel betrokken dat hij niet aan het inburgeringsvereiste voldoet, nu hij in 2022 het inburgeringsexamen heeft behaald.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6. Bij de beantwoording van de vraag of inmenging in het gezins- of privéleven beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM is gerechtvaardigd, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend. [3]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de besluitvorming onvoldoende heeft beoordeeld en betrokken wat de gevolgen zijn voor de dochter van eiser wanneer het verblijfsrecht van eiser wordt ingetrokken. Aan de dochter van eiser is een verblijfsvergunning verleend en wanneer eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zal zij zich gedwongen zien ofwel Nederland te verlaten om bij haar vader te kunnen blijven ofwel haar verblijf in Nederland alleen voort te zetten. Verweerder heeft in de besluitvorming onvoldoende onderzocht en afgewogen wat deze situaties zouden betekenen voor de belangen van de minderjarige dochter van eiser. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
7.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder dit gebrek heeft hersteld door ter zitting een nadere motivering te geven. Zo heeft verweerder er op gewezen dat de dochter van eiser eerder in Ghana heeft gewoond, contact onderhoudt met haar moeder in Ghana en dat haar broers in Ghana wonen. Gelet hierop zou het voor haar mogelijk moeten zijn om met vader terug te keren naar Ghana. Verweerder heeft ook ter zitting gewezen op de verklaringen van eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar, dat zijn dochter haar verblijf in Nederland zou kunnen voortzetten bij het gezin waar zij nu (samen met eiser) woont. Daarmee zou een voortgezet verblijf in Nederland zonder haar vader mogelijk kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hiermee voldoende gemotiveerd ingegaan op de mogelijke gevolgen voor de (belangen van de) dochter van eiser wanneer het verblijfsrecht van haar vader wordt ingetrokken. Met het benoemen en betrekken van deze omstandigheden en belangen van eisers dochter heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake is van een ‘fair balance’ in de belangenafweging die is verricht in het kader van de inmenging in het gezinsleven tussen eiser en zijn dochter. Verweerder heeft in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat eiser maar kort verblijfsrecht in Nederland heeft gehad en twee jaar onrechtmatig hier heeft verbleven. Ook heeft eiser nog voldoende binding met Ghana en is geen sprake van een objectieve belemmering. En hoewel eiser hier heeft gewerkt en zijn inburgeringsexamen heeft behaald in 2022, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat dit alles niet opweegt tegen het Nederlandse economisch belang.
7.2.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ook in het kader van de inmenging op het privéleven van eiser de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. Verweerder heeft namelijk kenbaar in het voordeel van eiser betrokken dat hij in het verleden heeft gewerkt en heeft bijgedragen aan de economie. Dat maakt echter niet dat verweerder de afweging niet in eisers nadeel mocht laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

8. Omdat het bestreden besluit, zoals overwogen onder rechtsoverweging 7, onvoldoende is gemotiveerd, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Echter heeft verweerder met de aanvullende motivering ter zitting het gebrek hersteld, waardoor de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [4]
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. [5]
11. Eiser krijgt ook een vergoeding van het griffierecht wat hij heeft betaald voor het beroep en de voorlopige voorziening.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 374,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4685 en naar de conclusie van de Advocaat-Generaal van het Europese Hof voor Justitie in de zaak Safi, ECLI:EU:C:2025:650.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.