Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg zijn verblijfsvergunning ingetrokken nadat zijn relatie met de referent was beëindigd. De intrekking werd met terugwerkende kracht vastgesteld per datum van beëindiging relatie. Eiser en zijn minderjarige dochter verbleven sinds 2018 in Nederland; aan de dochter werd voortgezet verblijf verleend op humanitaire gronden.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging door verweerder onjuist was, met name omdat de belangen van zijn dochter onvoldoende waren betrokken, terwijl het belang van het kind prevaleert. Ook stelde hij dat verweerder ten onrechte het belang van de Nederlandse staat te zwaar had meegewogen en onvoldoende rekening had gehouden met zijn bijdrage aan de economie en het behalen van het inburgeringsexamen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aanvankelijk onvoldoende had onderzocht wat de gevolgen van intrekking voor de dochter zouden zijn, maar dat dit gebrek ter zitting was hersteld door nadere motivering. Verweerder had toegelicht dat de dochter eerder in Ghana had gewoond, contact onderhoudt met familie daar, en dat zij mogelijk zonder haar vader in Nederland kan verblijven. De rechtbank vond dat hiermee een fair balance was gemaakt.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege de aanvullende motivering. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.