ECLI:NL:RBDHA:2026:4567
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens niet-ontvankelijkheid bij te laat ingediend bezwaarschrift gecombineerde verblijfs- en arbeidsvergunning
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende persoon, diende op 9 januari 2025 een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Deze aanvraag werd op 28 mei 2025 afgewezen door verweerder. Eiser diende een bezwaarschrift in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend, namelijk op 31 juli 2025, terwijl de termijn tot uiterlijk 5 juli 2025 liep.
Eiser voerde aan dat de late indiening het gevolg was van stress, onduidelijkheid over de procedure en persoonlijke omstandigheden, waaronder de wens om bij zijn zwangere partner en ongeboren kind te kunnen blijven. Hij stelde dat het bezwaar rond de tweede week van juni via Primera was verzonden, maar niet aangetekend, wat hij niet wist.
De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding aan eiser is toe te rekenen omdat hij geen bijzondere omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de late indiening rechtvaardigen. Het niet weten dat het bezwaar aangetekend moest worden verstuurd, is voor eigen rekening en risico. De rechtbank kon daardoor niet inhoudelijk toetsen of de afwijzing van de aanvraag terecht was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat er geen connexiteit meer was. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het te laat ingediende bezwaarschrift.