De vrouw heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend voor voorlopige voorzieningen met betrekking tot de toevertrouwing van de minderjarige kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek ingediend. De rechtbank heeft de zaak op 29 januari 2026 behandeld, waarbij beide partijen en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren.
De relatie tussen partijen is langdurig verstoord en er is een huisverbod opgelegd aan de man na aangifte van geweld door de vrouw. De vrouw verblijft met de kinderen in de woning, terwijl de man in een daklozenopvang verblijft. Beide partijen hebben belang bij het uitsluitend gebruik van de woning, maar de rechtbank maakt een belangenafweging waarbij het belang van de kinderen centraal staat.
De rechtbank oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat zij aan de vrouw worden toevertrouwd, omdat zij de dagelijkse zorg draagt en de kinderen in de vertrouwde omgeving kunnen blijven. Daarom wordt het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend en wordt de man bevolen de woning te verlaten. Verzoeken van de man worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de vrouw wordt opgedragen het contact tussen de kinderen en de man onder regie van de hulpverlening te faciliteren.