De zaak betreft een beroep tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd op 17 december 2025. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en voert aan dat zijn aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was en dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt.
De rechtbank stelt vast dat de aanhouding van eiser een strafrechtelijk karakter had, omdat deze plaatsvond in het kader van een verkeerscontrole vanwege mankementen aan het voertuig en overtreding van artikel 447e Sr. Hierdoor is de aanhouding niet verkapt vreemdelingenrechtelijk en kan de rechtbank de rechtmatigheid daarvan niet toetsen.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister na de inbewaringstelling vrijwel direct is begonnen met de uitzettingshandelingen, waaronder vertrekgesprekken en het aanvragen van een vlucht. Hoewel de uitzetting pas op 30 december 2025 plaatsvond, is dit niet onredelijk gelet op de administratieve afwikkeling en de omstandigheden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en de proceskosten worden niet aan eiser toegekend.