Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4627

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694591 / FA RK 25-8601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haagse ConventieArt. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggeleiding kind na gezamenlijke verhuizing naar Nederland

De vader verzocht de rechtbank om zijn kind terug te leiden naar [land 2], stellende dat de moeder het kind ongeoorloofd vasthoudt sinds hun relatiebreuk na verhuizing naar Nederland. De ouders hadden gezamenlijk gezag en waren samen met het kind vanuit [land 2] naar Nederland verhuisd, waarbij zij hun huis in [land 2] verhuurden en in Nederland een woning huurden. De moeder nam een baan in Nederland aan, en het kind ging hier naar school.

De rechtbank oordeelde dat de verhuizing feitelijk en bewust was uitgevoerd met de intentie om langere tijd in Nederland te verblijven, waardoor de gewone verblijfplaats van het kind is gewijzigd naar Nederland. De relatiebreuk maakte dit niet anders. Er was geen sprake van ongeoorloofde vasthouding door de moeder. De vader kon geen concrete feiten aandragen die een vooropgezet plan van de moeder aantoonden om de relatie te beëindigen.

De rechtbank wees het verzoek tot teruggeleiding af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. De bijzondere curator werd verzocht de uitspraak met het kind te bespreken en haar werkzaamheden worden beëindigd indien geen hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van het kind naar [land 2] wordt afgewezen omdat de gewone verblijfplaats van het kind is gewijzigd naar Nederland.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8601
Zaaknummer: C/09/694591
Datum beschikking: 5 februari 2026

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 13 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in [land 1] ,
advocaat: mr. J.E.C Verhoeff in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist in Oegstgeest.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • de bijlage namens de vader, ingekomen op 19 januari 2026;
  • het verslag van 19 januari 2026 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 20 januari 2026, met bijlage, namens de moeder;
  • het bericht van 20 januari 2026, met bijlagen, namens de vader;
  • het bericht van 21 januari 2026 namens de vader.
Op 3 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, ook kinderrechter, mr. A. Emmens. De behandeling op de zitting is aangehouden.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 14 januari 2026 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2026 is drs. J.A.M. Hendriks benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteland] .
De bijzondere curator is verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Wat geeft de minderjarige zelf aan over een eventueel verblijf in [land 2] en een eventueel verblijf in Nederland?
In hoeverre lijkt de minderjarige zich vrij te kunnen uiten?
In hoeverre lijkt de minderjarige de gevolgen van het verblijf in [land 2] of het verblijf in Nederland te overzien?
Wil de minderjarige met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst de minderjarige dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator hierbij met de minderjarige te bespreken dat het gesprek mogelijk met drie rechters gevoerd gaat worden (waarbij er mogelijk twee rechters via een beeldscherm deelnemen).
5. Ziet de bijzondere curator aanleiding om het kindgesprek online te houden?
6. Is het nodig dat er een tolk aanwezig is bij het kindgesprek en zo ja, in welke taal (en indien van toepassing welk dialect)?
7. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek te geven in een gesprek met de rechters, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Op 22 januari 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Namens de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank het bericht van 26 januari 2026, met bijlagen, namens de vader ontvangen. Deze stukken zijn gelijk aan reeds eerder ingediende stukken, zodat de rechtbank daar verder geen acht op heeft geslagen.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2015 in [plaats] .
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
  • [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteland] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • Op 27 januari 2025 zijn de ouders met [minderjarige] van [land 2] naar Nederland vertrokken.
  • De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Op 21 juli 2025 heeft de moeder bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot echtscheiding ingediend met zaak- en rekestnummer C/09/688874 en FA RK 25-5534.
  • De vader heeft zich op 4 november 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 25-0156.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
  • te bevelen dat [minderjarige] onmiddellijk dient terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in [land 2] , althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze die de rechtbank in goede justitie acht, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar [land 2] , dan wel indien de moeder dit nalaat, te bevelen dat de moeder [minderjarige] op het eerste verzoek van de vader dient af te geven met een geldig reisdocument, zodat de vader [minderjarige] kan teruggeleiden naar [land 2] ;
  • te bepalen, voor zover rechtens vereist nu dit reeds voortvloeit uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, dat [minderjarige] zo nodig met behulp van de sterke arm der wet, althans met medewerking van het Openbaar Ministerie zal worden teruggeleid;
  • de moeder te veroordelen in de kosten van de door de vader gemaakte en nog te maken (proces)kosten in het kader van de ontvoering en teruggeleiding van [minderjarige] , voorlopig begroot op € 4.500,-;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en [land 2] zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van Pro het Verdrag).
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Niet in geschil is dat de ouders het gezamenlijk gezag hebben over [minderjarige] en dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging of vasthouding. Ook niet in geschil is dat de ouders samen de keuze hebben gemaakt om als gezin van [land 2] naar Nederland te verhuizen. Deze verhuizing is ook uitgevoerd. De ouders hebben hun huis in [land 2] voor de periode van tenminste een jaar verhuurd en in Nederland een huis gehuurd. De moeder heeft in Nederland een nieuwe baan aanvaard. Op 27 januari 2025 zijn de ouders samen met [minderjarige] vertrokken naar Nederland. [minderjarige] gaat hier sindsdien naar school en is lid van een voetbalclub. Al snel na aankomst in Nederland ontstonden problemen tussen de ouders. Op 24 februari 2025 heeft de moeder de vader gevraagd om de woning te verlaten. Vervolgens is de vader op 9 maart 2025 terug naar [land 2] gevlogen.
De eerste vraag die voorligt is of de moeder [minderjarige] sinds 9 maart 2025 ongeoorloofd vasthoudt, wat de vader stelt en de moeder betwist. Van vasthouding zou sprake kunnen zijn als de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dat moment in [land 2] was.
De vader stelt dat met de beëindiging van de relatie van de ouders kort na de verhuizing naar Nederland, het plan om samen als gezin in Nederland te gaan wonen is veranderd. Daarbij geeft hij aan dat het de bedoeling van de ouders was om tijdelijk naar Nederland te gaan en uit te proberen hoe het zou zijn om daar als gezin te wonen. Met het verbreken van de relatie is ook dat plan veranderd en hadden partijen samen terug moeten keren naar [land 2] . Inmiddels is duidelijk dat de moeder niet wil terugkeren naar [land 2] . Volgens de vader is sprake van een vooropgezet plan van de moeder.
De moeder geeft aan dat het plan van de ouders was om voor een langere periode en zonder concrete einddatum samen als gezin in Nederland te gaan wonen. De verhuizing heeft plaatsgehad en daarmee is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd van [land 2] naar Nederland. Dat de relatie van partijen is verbroken maakt dat niet anders. Van een vooropgezet plan is geen sprake.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort samengevat, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste binding heeft. Daarbij zijn, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder van belang omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmaat, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Verder kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats.
Tegen de achtergrond van dit juridische kader moet de rechtbank aan de hand van de concrete omstandigheden van deze zaak beoordelen waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige] was op 9 maart 2025, de datum waarop volgens de vader sprake is van ongeoorloofde achterhouding en waarop hij zonder [minderjarige] naar [land 2] is gereisd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De rechtbank hecht vooral betekenis toe aan de redenen en intentie die de ouders hadden voor hun verhuizing naar Nederland. Beide ouders hadden de intentie om als gezin langere tijd, in de overgelegde stukken wordt gesproken over een periode van één tot drie jaar, in Nederland te gaan wonen. De verhuizing heeft plaatsgevonden zonder dat een concrete einddatum was afgesproken. De verhuizing is goed overwogen en voorbereid. De moeder heeft haar baan in [land 2] opgezegd en een baan in Nederland aangenomen, het huis van de ouders in [land 2] is verhuurd, zij hebben in Nederland een huis gehuurd en ook de vader is in Nederland op zoek gegaan naar een baan. Eind januari 2025 zijn de ouders met [minderjarige] aangekomen in Nederland. Aangezien de ouders hun intentie om als gezin naar Nederland te verhuizen daadwerkelijk hebben uitgevoerd - zij het dat het samenwonen als gezin uiteindelijk van korte duur was - hebben zij daarmee feitelijk en bewust hun verblijfplaats als gezin naar Nederland gewijzigd en is naar het oordeel van de rechtbank ook de gewone verblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd van [land 2] naar Nederland. De moeder had daarom ook geen toestemming nodig van de man om in Nederland te blijven. Er is daarmee geen sprake van een situatie vergelijkbaar met die in de door de vader genoemde uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2018:2569). Van ongeoorloofde vasthouding door de moeder van [minderjarige] is dus geen sprake.
Het is de rechtbank niet gebleken dat bij de moeder sprake was van een vooropgezet plan om de relatie met de vader kort na de verhuizing direct te beëindigen, zoals van de zijde van de vader is aangevoerd. De vader heeft geen concrete feiten gesteld die zijn stelling op dit punt onderbouwen. Aan de opmerking van de zus van de moeder kort na de verhuizing (“goed gedaan”) kan – als deze al gedaan is – naar het oordeel van de rechtbank niet de betekenis en het gewicht worden toegekend die de vader daaraan geeft en maakt dit oordeel dan ook niet anders.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar [land 2] en de daarmee samenhangende verzoeken af.
Proceskosten
De proceskosten zal de rechtbank gelet op de familierechtelijke aard van de procedure compenseren als hierna vermeld.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteland] , naar [land 2] ;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 5 maart 2026 als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, M.F. Baaij en T.M. Coppes, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 februari 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet Pro internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.