ECLI:NL:RBDHA:2026:4628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698178 / FA RK 26-634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens Alzheimer dementie

De rechtbank Den Haag behandelde op 5 februari 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot verlening van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van cliënt, geboren in 1941, in een zorgaccommodatie. Cliënt lijdt aan Alzheimer dementie, wat leidt tot ernstig nadeel zoals ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.

Uit medische verklaringen, een zorgplan en de mondelinge behandeling bleek dat cliënt niet langer zelfstandig kan functioneren. Zij is gedesoriënteerd in tijd, plaats en persoon, heeft een beperkt kortetermijngeheugen en is niet in staat haar dag zelfstandig in te vullen. Cliënt verzet zich tegen opname en verblijf, maar vertoont gedrag dat haar veiligheid in gevaar brengt.

De rechtbank concludeerde dat opname noodzakelijk en geschikt is om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden, en dat er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. De machtiging wordt daarom verleend voor de duur van zes maanden, tot 5 augustus 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf van cliënt met Alzheimer dementie voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/698178 / FA RK 26-634
Datum beschikking: 5 februari 2026

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.H.T. van Brunschot te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 22 januari 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 20 november 2025;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 13 januari 2026;
- een op 12 januari 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 20 november 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door mr. [naam 2] , waarnemend haar advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 3] ;
- de zoon van cliënt.

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft aangegeven dat het redelijk met haar gaat. Zij erkent dat zij soms dingen vergeet, maar ervaart hier geen hinder van. Cliënt woonde prettig in haar vorige woning.
De advocaat heeft voorgaand aan de zitting met cliënt gesproken. Cliënt heeft een ambivalente ontslagwens en hierdoor is het lastig om een standpunt in te nemen. Cliënt heeft in het gesprek met de advocaat aangegeven vooral de wandelingen buiten te missen.
De specialist oudergeneeskunde heeft naar voren gebracht het ernstig nadeel opnieuw zal intreden bij terugkeer naar huis. Zonder de structuur van de afdeling kan cliënt zich niet staande houden. Cliënt probeert regelmatig de afdeling te verlaten en is niet in staat om zelf de weg terug te vinden.
De zoon van cliënt heeft aangegeven dat cliënt op de wachtlijst staat voor een zorginstelling in [plaats 2] . Op deze manier kunnen de zoon van cliënt en zijn kinderen vaker bij haar langkomen en haar ook mee naar buiten nemen.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer dementie.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
– ernstige verwaarlozing;
– maatschappelijke teloorgang.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat cliënt niet langer in staat is om zelfstandig voor zichzelf te zorgen. Cliënt is volledig gedesoriënteerd in tijd, plaats en persoon, heeft een zeer beperkt kortetermijngeheugen en het executief functioneren is gestoord. Cliënt kan niet zelfstandig invulling aan haar dag geven. Zij kan vanuit de woonkamer niet zelfstandig haar eigen kamer vinden. Cliënt heeft hulp en sturing nodig bij het verrichten van zelfzorg en structuur.
De opname en het verblijf in een accommodatie zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf in een accommodatie. Cliënt verzet zich tegen voortzetting van haar verblijf. Zij geeft duidelijk aan dat zij naar haar oude woning wil. Cliënt wordt aangetroffene bij de voordeur van de afdeling en is moeilijk af te leiden. Zij probeert de afdeling te verlaten door met mensen mee te lopen. Dit is op 2 januari 2026 gelukt waarna cliënt op haar oude woonadres is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie ten aanzien van:

[cliënt] ,

geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 5 augustus 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 februari 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.