ECLI:NL:RBDHA:2026:4629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/695031 / FA RK 25-8838
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haagse Conventie 1980Art. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 13 lid 1 Haagse Conventie 1980Art. 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggeleiding van kinderen naar Chili wegens niet-uitoefening gezagsrecht vader

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om zijn kinderen terug te leiden naar Chili op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De vader stelde dat de moeder de kinderen ongeoorloofd in Nederland vasthield en dat hij het gezag over hen uitoefende.

De rechtbank oordeelde dat, ongeacht het Chileense recht, de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende. Hij had sinds september 2023 geen contact met de kinderen of de moeder gezocht, betaalde lange tijd geen alimentatie en toonde geen betrokkenheid bij de verzorging en opvoeding. De moeder had de kinderen onder moeilijke omstandigheden alleen verzorgd.

Gezien deze feiten was er geen sprake van ongeoorloofde vasthouding door de moeder. De rechtbank wees daarom het verzoek tot teruggeleiding af. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten en de bijzondere curator werd opgedragen de uitspraak met de kinderen te bespreken. De beschikking werd uitgesproken op 5 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige kinderen naar Chili wordt afgewezen omdat de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8838
Zaaknummer: C/09/695031
Datum beschikking: 5 februari 2026

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende in [land],
advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest, voorheen mr. J.H. Weermeijer-Patist.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen in Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het bericht van 18 december 2025, met bijlagen, namens de vader;
  • de brief van 24 december 2025 namens de vader;
  • de berichten van 12 januari 2026, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het verslag van 19 januari 2026 van de bijzondere curator.
Op 10 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk F.G. Moretto, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en namens de Raad voor de Kinderbescherming
[naam 1] en [naam 2]. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, ook kinderrechter, mr. A.M. van der Vliet. De behandeling op de zitting is aangehouden.
Na de regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 22 december 2025 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2025 is drs. J.A.M. Hendriks benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats].
De bijzondere curator is verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Wat geven de minderjarigen zelf aan over een eventueel verblijf in Chili en een eventueel verblijf in Nederland?
In hoeverre lijken de minderjarigen zich vrij te kunnen uiten?
In hoeverre lijken de minderjarigen de gevolgen van het verblijf in Chili of het verblijf in Nederland te overzien?
Op 22 januari 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader (digitaal aanwezig) met mr. J.H. Weermeijer-Patist als waarnemend advocaat en met tolk F. Moretto (digitaal aanwezig), de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats].
  • De moeder is op 16 juli 2024 met de kinderen naar Nederland vertrokken.
  • Volgens de Basisregistratie personen heeft de vader de Chileense nationaliteit. De moeder heeft zowel de Nederlandse als de Chileense nationaliteit. De minderjarigen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • De vader heeft zich op 15 juli 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (Ca). De zaak is bij de Ca geregistreerd onder IKO nr. 250094.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt te bevelen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onmiddellijk, doch voór 1 december 2025 dienen terug te keren naar hun gewone verblijfplaats in Chili, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie juist acht, waarbij de moeder de minderjarigen primair dient af te geven aan de vader, dan wel subsidiair op de te bepalen datum terug dient te brengen naar Chili, meer specifiek [adres], [plaats], [provincie] in Chili, althans de plek waar hun gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de moeder dit nalaat, te bevelen dat de moeder de minderjarigen op eerste verzoek dient af te geven aan de vader met een geldig reisdocument, zodat de vader de minderjarigen alsnog zelfstandig kan teruggeleiden naar Chili, althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank zal vermenen te behoren, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en Chili zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van Pro het Verdrag).
Niet in geschil is dat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] hadden op het moment van zijn overbrenging naar dan wel vasthouding in Nederland. Tussen de ouders is wel in geschil of de vader (naar Chileens recht) mede met het gezag over [minderjarige 2] was (en is) belast. De rechtbank van oordeel dat, ook als de vader naar Chileens recht mede het gezag over [minderjarige 2] had, de vader zijn gezagsrecht over de kinderen niet uitoefende. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY7937) moet worden aangenomen dat van "daadwerkelijke uitoefening" van het gezagsrecht als bedoeld in artikel 3 lid 1 aanhef Pro en onder b, en artikel 13 lid 1 aanhef Pro en onder a van het Verdrag, ook sprake kan zijn als degene aan wie het gezagsrecht is toegekend, het kind niet feitelijk verzorgt en opvoedt. Voldoende is dat de met het gezag belaste persoon of instelling ervan blijk heeft gegeven zich overeenkomstig de inhoud van het bestaande gezagsrecht de belangen van het kind aan te trekken. Zo zal in het geval dat een gezamenlijk gezagsrecht voortduurt nadat één van beide ouders de verzorging en opvoeding van het kind op zich heeft genomen, de andere ouder het hem toekomend gezagsrecht in die zin van voormelde bepalingen daadwerkelijk uitoefenen zolang hij blijk ervan geeft zich de belangen van het kind aan te trekken.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de relatie tussen de ouders in 2022 is beëindigd. De ouders zijn in januari 2023 met de kinderen vanuit Nederland naar Chili vertrokken. Over de reden en beoogde duur van het verblijf in Chili zijn partijen het niet eens. In mei 2023 is er op verzoek van de vader in Chili een voorlopige omgangsregeling met [minderjarige 1] vastgesteld. Op 31 augustus 2023 heeft de vader een notariële volmacht opgesteld waarbij hij toestemming heeft gegeven aan de moeder om de kinderen onbeperkt te laten reizen; toestemming voor een ‘permanent change of residence’ is uitgesloten. Ter zitting heeft de vader gesteld dat dat was om de moeder de gelegenheid te geven regelmatig met de kinderen naar haar familie in Nederland te kunnen reizen. In september 2023 heeft de moeder, volgens de vader valselijk, strafrechtelijk aangifte gedaan tegen de vader in verband met huiselijk geweld van de vader jegens de moeder. In september 2023 is de vader naar Spanje vertrokken. Eind 2023 is hij teruggekeerd. De moeder is op 16 juli 2024 met de kinderen naar Nederland vertrokken. De vader heeft op
9 mei 2025 bij notariële akte de op 31 augustus 2023 verstrekte toestemming ingetrokken. Volgens de vader is vanaf dat moment sprake van ongeoorloofde achterhouding.
Volgens de moeder heeft de vader vanaf september 2023 geen contact meer gezocht met haar of de kinderen, geen informatie gevraagd over hun welzijn en geen enkele zorg- of opvoedingstaak vervuld. Zij heeft in die periode in Chili alleen en onder moeilijke omstandigheden voor de kinderen gezorgd terwijl zij spaarde om terug te kunnen keren naar Nederland. Zij wist aanvankelijk ook niet dat de vader naar Spanje was vertrokken en hoorde dit later van de familie van de vader. De moeder heeft dit onderbouwd met verklaringen van de moeder en twee zussen van de vader. De moeder van de vader (oma vaderszijde) verklaart dat zij de moeder financieel geholpen heeft, dat de vader de alimentatie niet betaalde en in september 2023 tegen haar (oma vaderszijde) heeft gezegd dat de moeder naar Nederland mocht terugkeren. Uit deze verklaringen blijkt dat de vader sinds zijn eigen vertrek in september 2023 ook niet meer bij hen heeft geïnformeerd naar de kinderen en dat er inmiddels al twee jaar geen contact meer is tussen hen en de vader. De vader heeft op de zitting erkend dat hij in september 2023 naar Spanje is vertrokken en aanvankelijk van plan was om daar te blijven. Hij ontkent echter dat hij sindsdien niets meer van zich heeft laten horen. Hij stelt dat hij tientallen e-mails aan de moeder heeft gestuurd. Deze zijn echter niet aan de rechtbank overgelegd. De vader heeft op de zitting voorts niet weersproken dat hij na twee maanden is gestopt met het betalen van kinderalimentatie en dat hij het achterstallige bedrag pas heeft voldaan toen hij ten behoeve van de regiezitting in december 2025 naar Nederland wilde reizen en anders Chili niet kon verlaten.
De rechtbank is van oordeel dat de vader op het moment van de ongeoorloofde achterhouding (volgens de vader 13 mei 2025), het gezag niet daadwerkelijk uitoefende. Uit het voorgaande blijkt dat de vader de kinderen niet alleen niet feitelijk verzorgde, maar dat hij er op dat moment ook geen blijk van gaf zich de belangen van de kinderen aan te trekken. De vader heeft de moeder niet op de hoogte gesteld van zijn vertrek naar Spanje in september 2023. Vanaf het moment van vertrek tot 15 mei 2025 heeft hij geen contact gehad met de kinderen. Evenmin heeft hij contact met de moeder opgenomen om te informeren naar het welzijn van de kinderen en belangrijke zaken in het leven van de kinderen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vader bekend was met het adres van de moeder in Chili en dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat haar e-mailadres sinds 2023 niet is gewijzigd, zodat de vader haar ook via die weg had kunnen bereiken; de vader heeft haar uiteindelijk op 15 mei 2025 ook per e-mail benaderd met het bericht dat hij zijn toestemming had ingetrokken en dat de moeder met de kinderen moest terugkeren naar Chili. Bovendien heeft de vader slechts een zeer korte periode financieel bijgedragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding. De enkele omstandigheid dat de vader na zijn terugkeer uit Spanje in 2024 een procedure is gestart teneinde omgang te krijgen met de kinderen, zonder voorafgaand te trachten met de moeder zelf contact op te nemen om in onderling overleg afspraken te maken, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat hij zich de belangen van de kinderen daadwerkelijk heeft aangetrokken.
Concluderend oordeelt de rechtbank dat, ook als de vader naar Chileens recht het gezag over [minderjarige 2] had, de vader zijn gezagsrecht over de kinderen niet uitoefende. Daarmee is geen sprake van ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de moeder in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Chili en de daarmee samenhangende verzoeken afwijzen.
Proceskosten
De proceskosten zal de rechtbank gelet op de familierechtelijke aard van de procedure compenseren als hierna vermeld.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats],
naar Chili;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 5 maart 2026 als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F. Baaij, A.M. Brakel en T.M. Coppes, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 februari 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet Pro internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.