ECLI:NL:RBDHA:2026:464

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel

Op 5 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die in beroep ging tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 13 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat het voortraject onrechtmatig was, omdat hij door burgers was aangehouden op verdenking van diefstal en de verbalisanten zelf hadden aangegeven dat deze aanhouding onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van een strafrechtelijke aanleiding voor het vorderen van eisers identiteitsdocument, aangezien hij was aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank concludeerde dat de aanhouding rechtmatig was en dat er geen reden was om te oordelen dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig was.

Daarnaast voerde eiser aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen, zoals een meldplicht, omdat hij in staat was om zelfstandig te vertrekken en zijn oom bezig was met het regelen van een verblijfsstatus in Portugal. De rechtbank verwierp deze stelling, omdat er een onttrekkingsrisico bestond en eiser geen concrete stappen had ondernomen voor zijn terugkeer. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was om een lichter middel op te leggen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van griffier mr. N. El-Amrani, en werd openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62664

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met behulp van een videoverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Mocht eisers identiteitsdocument gevorderd worden?
1. Eiser voert aan dat het voortraject onrechtmatig is. Eiser is door burgers aangehouden op verdenking van diefstal. De verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen geven zelf aan dat de burgeraanhouding onrechtmatig was. Daarom was er ook geen reden om eisers identiteitsdocument te vorderen. De opvolgende staandehouding, ophouding en oplegging van de bewaringsmaatregel mochten dan ook niet plaatsvinden.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een strafrechtelijke aanleiding, op grond waarvan eisers identiteitsdocument is gevorderd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2025 volgt dat de verbalisanten ter plaatse zijn gekomen omdat twee mannen eiser hebben vastgehouden omdat hij jassen zou hebben gestolen. De verbalisanten hebben vervolgens met beide mannen gesproken en gezien dat eiser geen jassen bij zich droeg. Op grond van deze onderzoeksbevindingen kwamen de verbalisanten tot de conclusie dat zij niet zo veel met de zaak konden doen en dat de burgeraanhouding niet terecht zou zijn geweest. Eén van de mannen gaf aan de verbalisant aan dat hij nog wel aangifte wilde doen tegen eiser, omdat hij door eiser was gebeten en hij daardoor naar het ziekenhuis moest. Eén van de verbalisanten is ook met eiser, door de betreffende verbalisant nog aangemerkt als ‘verdachte’, in gesprek gegaan. De verbalisant heeft hem toen zijn identiteitsbewijs gevorderd. Eiser heeft ook na een tweede vordering geen identiteitsbewijs laten zien, waarna de verbalisant een identiteitsfouillering heeft verricht. De verbalisant trof geen identiteitsbewijs aan en heeft dat vervolgens nogmaals gevorderd bij eiser. Daarop is eiser weggerend. Eiser is vervolgens aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.
1.2.
Gelet op voorgaande weergave van de gebeurtenissen, die eiser ook niet heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eisers identiteitsbewijs te vorderen. Toen hij dat niet kon overleggen, is hij aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Omdat de aanhouding op basis van een strafrechtelijke bevoegdheid is gebeurd, wordt dit niet verder beoordeeld door de bewaringsrechter. [1] De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat er sprake was van een onrechtmatige vreemdelingenrechtelijke staandehouding en ophouding.
Had de minister kunnen volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen, zoals een meldplicht. Eiser is eerder in bewaring gesteld voor de duur van zes maanden. Sinds deze is opgeheven in juli 2025 is zijn oom, bij wie eiser verblijft, bezig met het regelen van een verblijfsstatus in Portugal. Eiser is ook in staat om zelfstandig te vertrekken.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om de gronden te twijfelen. Verder ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen reden te oordelen dat andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat een meldplicht opgelegd had moeten worden, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser sinds juli 2025 geen concrete handelingen heeft verricht om zijn terugkeer te bewerkstelligen. Verder is niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat eiser verblijfsrecht heeft of spoedig gaat krijgen in Portugal. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).