ECLI:NL:RBDHA:2026:4656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696992 / JE RK 25-2213
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing verzoeken vader in belang minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar vanwege voortdurende ontwikkelingsbedreiging en problematische ouderrelaties. De vader verzocht primair om afwijzing van de ondertoezichtstelling en subsidiair om vervanging van de gecertificeerde instelling en wijziging van de zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het late indienen van het verzoek tot verlenging, de goede procesorde niet was geschonden omdat partijen zich voldoende konden voorbereiden. De ondertoezichtstelling werd verlengd omdat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de langdurige en ernstige relatieproblematiek tussen de ouders, die de opvoeding en verzorging negatief beïnvloedt. De hulpverlening komt moeizaam van de grond, waardoor de betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk blijft.

De zelfstandige verzoeken van de vader werden afgewezen. De rechtbank volgde het oordeel van het hof dat de wijziging van de zorgregeling, waarbij de kinderen bij de vader zouden verblijven, niet in het belang van de kinderen is. Ook het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling werd afgewezen vanwege het belang van continuïteit en het ontbreken van voldoende gronden voor een wijziging. De rechtbank deed een dringend beroep op de vader om constructief samen te werken met de gecertificeerde instelling in het belang van de kinderen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en wijst de zelfstandige verzoeken van de vader af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696992 / JE RK 25-2213
Datum uitspraak: [geboortedatum 1] 2026
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling
Afwijzing zelfstandige verzoeken van de vader
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. Bernard gevestigd te Soest,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.L.J. Woesthoff gevestigd te Huizen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 15 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor een korte periode verlengd, namelijk tot 10 februari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025;
  • het verweerschrift van de vader, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 12 januari 2026;
  • de beschikking van 15 januari 2026;
  • de brief van de advocaat van de vader, met bijbehorende producties, ontvangen door de rechtbank op 2 februari 2026;
  • de door de gecertificeerde instelling nagezonden beschikkingen van 12 januari 2024, 18 januari 2024 en 16 juli 2024;
  • de beschikkingen van 8 januari 2025, 9 januari 2025, 18 april 2025 en 16 juli 2025 (hof Den Haag).
1.3.
Op 5 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 8 januari 2025 heeft de kinderrechter de zorgregeling, zoals vastgesteld in de beschikking van 2 juli 2024, gewijzigd in die zin dat:
-
de vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij zich één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond, waarbij de vader de kinderen op vrijdagochtend tussen 9 uur en 9.30 uur ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder.
2.2.
Voor een overzicht van de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 15 januari 2026.

3.De verzoeken

Verzoek gecertificeerde instelling
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Het gezin heeft een lange tijd op de monitorlijst gestaan en sinds maart 2025 is er een vaste jeugdbeschermer betrokken. De gecertificeerde instelling vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar nodig om aan de eerder gestelde doelen te werken. Door de vele rechtszaken en het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer is in het afgelopen jaar weinig tot niets van de grond gekomen. Daarnaast komt de gecertificeerde instelling moeilijk tot een samenwerking met de vader. Om aan de eerder gestelde doelen te werken is medewerking en samenwerking met beide ouders noodzakelijk. Het is nodig om in overleg met de ouders afzonderlijk te onderzoeken of een gezamenlijk gesprek met ouders mogelijk is. Ook kan aan de hand van die gesprekken meer duidelijkheid komen over het patroon en wat voor gevolgen dit heeft voor de kinderen. Het is van belang dat de focus op de kinderen wordt gericht. Daarnaast zal de betrokken gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling een screeningsonderzoek doen bij de kinderen om te kijken hoe het met de kinderen gaat en hoe zij alles beleven. Er zal een analyse gemaakt worden, waarna de hulpverlening hierop afgestemd zal worden. Hun ontwikkeling en welzijn staat onder druk en het is van belang dat ouders gaan begrijpen dat zij hierin een groot aandeel hebben en tevens in staat zijn om dit met hulpverlening ten goede te veranderen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de afgelopen tijd gesprekken zijn gevoerd met de ouder-expert en de ouders om meer zicht te krijgen op de situatie en te kijken naar de mogelijkheden hoe de ouders weer met elkaar om de tafel kunnen zitten. Dit loopt nog.
Zelfstandige verzoeken vader
3.3.
De vader verzoekt primair om de ondertoezichtstelling af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vader om vervanging van de gecertificeerde instelling. Volgens de vader is de gecertificeerde instelling niet langer in staat om haar taken op een onpartijdige, effectieve en constructieve wijze uit te voeren. Het voortduren van de huidige ondertoezichtstelling is onder begeleiding van de gecertificeerde instelling niet langer in het belang van de kinderen, gelet op de onherstelbare vertrouwensbreuk en de disfunctionele samenwerking met de gecertificeerde instelling. De vader heeft de gecertificeerde instelling herhaaldelijk via e-mails op de hoogte gesteld van zijn zorgen en hulpvragen betreffende de kinderen en de ouderrelatie, maar de gecertificeerde instelling heeft op geen enkele e-mail inhoudelijk gereageerd en hem hierin niet gehoord.
3.4.
Tot slot verzoekt de vader om de omgangsregeling met de kinderen uit te breiden in die zin dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader verblijven en dat de moeder een maal per veertien dagen contact heeft met de kinderen, van vrijdagmorgen 9.30 uur tot zondag 18.30 uur. De vader maakt zich veel zorgen om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen bij de moeder en wil dat zij bij hem komen wonen. De moeder handelt niet in het belang van de kinderen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen. Namens de vader wordt allereerst opgemerkt dat de gecertificeerde instelling het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling te laat heeft ingediend, omdat dit acht weken voor de zitting gedaan had moeten worden. Dit is echter niet gebeurd, waardoor de vader en zijn advocaat niet in staat zijn geweest om zich adequaat en tijdig voor te bereiden. Dit is volgens de vader in strijd met de goede procesorde. Verder wordt aangevoerd dat de gecertificeerde instelling sinds de uitspraak van de kinderrechter van 18 april 2025 geen acties heeft ondernomen in het belang van de kinderen, waardoor er de afgelopen periode niks van de grond is gekomen. Hierdoor is de situatie nog meer verslechterd. De vader maakt zich daarom ernstig zorgen over de kinderen. Hij heeft het beste voor met de kinderen en wil het beste doen voor hen door onder andere in contact te komen met een kinderpsycholoog, maar hij krijgt hier niet de ruimte voor. De vader heeft het gevoel dat hij wordt tegengewerkt door de moeder en de gecertificeerde instelling. Volgens de vader valt de moeder hem lastig en beschuldigt zij hem van stalking. De vader heeft dit bij de gecertificeerde instelling aangegeven, maar hij wordt hierin niet gehoord. Namens de vader wordt daarom verzocht om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder heeft een goede samenwerking met de gecertificeerde instelling en is blij met hun betrokkenheid. De moeder geeft aan dat het belangrijk is om de focus te leggen op het belang van de kinderen en hoe de ouders weer met elkaar kunnen communiceren. De moeder staat open voor het gesprek. Hoewel de kinderen het goed doen op school en er geen sprake is van een achterstand in taalontwikkeling, hebben zij last van de strijd tussen de ouders en het gedrag dat de vader richting de moeder vertoont, waardoor het niet goed gaat met hen. De moeder geeft aan dat er vanuit de vader onterecht beschuldigingen tegen haar worden geuit. Namens de moeder worden de feiten zoals deze door en namens de vader naar voren zijn gebracht betwist.
4.3.
Namens de moeder is ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling naar voren gebracht dat er nog een procedure loopt bij de familierechter. Behandeling van deze kwestie is dus voorbehouden aan de familierechter. Ten aanzien van het verzoek van de vader tot wijziging van de gecertificeerde instelling geeft de moeder aan dat er eerder al andere jeugdbeschermers betrokken waren bij het gezin, waarmee de samenwerking met de vader ook niet goed verliep.
4.4.
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vader tot wijziging van de gecertificeerde instelling heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat het geen toegevoegde waarde heeft. De samenwerking met de moeder en de kinderen verloopt goed. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling maar drie gesprekken met de vader gevoerd, waardoor het te voorbarig is om aan te geven dat er geen samenwerking met de gecertificeerde instelling mogelijk is. De gecertificeerde instelling is er voor de kinderen en handelt in hun belang. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling wordt aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn verzoek omdat artikel 1:265g BW geen grondslag biedt voor de wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen.

5.De beoordeling

De goede procesorde
5.1.
De kinderrechter merkt allereerst op dat, hoewel het verzoek van de gecertificeerde instelling niet tijdig is ingediend, er geen sprake is van schending van een goede procesorde. Van belang is of partijen zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op de behandeling van het verzoek ter zitting. Dat is het geval geweest, ook voor de vader. De advocaat van de vader heeft immers tijdig voorafgaand aan de eerder geplande zitting van 15 januari 2026 een verweerschrift van 18 pagina’s kunnen overleggen.
De ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden nog ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen groeien op in een opvoedsituatie waarin zij belast worden met de strijd tussen de ouders. Er is sprake van langdurige en ernstige relatieproblematiek tussen de vader en de moeder. Deze problematiek is zodanig geëscaleerd dat begin 2024 een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing uitgesproken zijn. Vervolgens zijn de kinderen samen met de moeder in een moeder-kindhuis geplaatst. Hoewel er aanvankelijk zorgen waren over de draagkracht en leerbaarheid van de moeder, heeft zij een enorme groei laten zien. Daarbij heeft de moeder diverse hulpverleningstrajecten doorlopen, en werd door het moeder-kindhuis, de toenmalige gecertificeerde instelling en de hulpverlening gezien dat het een stuk beter ging met de kinderen. De moeder woont sinds augustus 2024 met de kinderen in een eigen woning. Hoewel de acute zorgen zijn verminderd en het op dit moment redelijk goed lijkt te gaan met de kinderen, is de onderliggende problematiek tussen de ouders nog steeds en in ernstige mate aanwezig door het wederzijdse wantrouwen tussen de ouders, het over en weer beschuldigen van elkaar en de voortslepende juridische procedures. De strijd tussen de ouders duurt voort, en vraagt veel tijd en energie van de ouders die niet aan de opvoeding en verzorging van de kinderen besteed kan worden. Dat heeft direct invloed op de kinderen, met als grote risico dat de hoge emotionele spanning effect hebben op de kinderen in de dagelijkse verzorging en opvoeding, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om goed te zien en te begrijpen wat de kinderen van hen nodig hebben. Daarnaast communiceren de vader en de moeder niet met elkaar en is er geen sprake van een constructieve samenwerking tussen hen, waardoor zij niet op een voor de kinderen onbelastbare manier tot gezamenlijke afspraken en beslissingen kunnen komen in het belang van de kinderen.
5.4.
Noodzakelijke hulpverlening komt moeizaam of niet van de grond. Zo is de ouder-kindbehandeling van Cardea bij de moeder begin 2025 gestopt, omdat de gezinssituatie thuis onvoldoende stabiel was en de moeder dermate veel stress ervoer dat zij zich onvoldoende op de thuissituatie kon richten. De kinderrechter constateert dat er op dit moment veel in gang wordt gezet, waaronder het screeningsonderzoek voor de kinderen en de inzet van de Ouder-expert en mediation voor de ouders. Hoewel de hulpverlening gericht op de relatie tussen de ouders wordt opgestart, komt deze vooralsnog onvoldoende van de grond. Hiermee blijft de voornaamste reden voor de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen bestaan. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer nog betrokken blijft om de regie te blijven voeren op de hulpverlening en zicht te blijven houden op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.
5.5.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] daarom verlengen voor de duur van één jaar. De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De zorgregeling
5.6.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling overweegt de kinderrechter als volgt. De gecertificeerde instelling heeft aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat artikel 1:265g van het BW geen grondslag biedt voor het wijzigen van het hoofdverblijf. De kinderrechter gaat niet mee in het betoog van de gecertificeerde instelling. De kinderrechter begrijpt het verzoek van de vader zo dat hij vraagt om de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen, en niet om een wijziging van de hoofdverblijfplaats. Dat verzoek kan de vader op grond van artikel 1:265g van het BW doen, ook als dat betekent dat bij toewijzing het zwaartepunt van de zorg- en opvoedtaken bij hem komt te liggen.
5.7.
De kinderrechter kan een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Namens de vader is aangevoerd dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De kinderrechter stelt vast dat de huidige zorgregeling inmiddels geruime tijd geldt. Het enkele tijdsverloop, de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer en het verloop van de ondertoezichtstelling sinds de eerder vastgestelde zorgregeling rechtvaardigen een inhoudelijke beoordeling.
5.8.
De vader heeft verzocht om een wijziging van de zorgregeling die in de kern neerkomt op een plaatsing van de kinderen bij hem. Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 16 juli 2025 al geoordeeld dat een dergelijke beslissing genomen moet worden in de lopende procedure van partijen inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De kinderrechter sluit zich hierbij aan. Daarbij is niet gebleken dat de situatie bij de moeder zodanig instabiel of onveilig is dat de door de vader verzochte wijziging van de zorgregeling op dit moment in het belang van de kinderen is. De moeder heeft zich ingezet en opengesteld voor de hulpverlening, waarvan zowel zij als de kinderen hebben geprofiteerd. De huidige situatie is voldoende stabiel en de kinderen genieten van het contact met beide ouders. Gelet ook op het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit van de situatie, in ieder geval tot aan de (eind)beslissing in de procedure over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, ziet de kinderrechter geen aanleiding de zorgregeling te wijzigen. De kinderrechter wijst dit verzoek van de vader af.
De verzochte wijziging van de gecertificeerde instelling
5.9.
Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de gecertificeerde instelling overweegt de kinderrechter dat de vader heeft gesteld dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk, wat maakt dat de gecertificeerde instelling gewijzigd moet worden. De kinderrechter ziet dat anders, en zal het verzoek afwijzen. Daartoe is het volgende van belang.
5.10.
De kinderrechter ziet inderdaad wantrouwen bij de vader, mogelijk als gevolg van een door hem ervaren vertrouwensbreuk. Maar de kinderrechter ziet ook boosheid, frustratie en verongelijktheid. De kinderrechter verwacht niet dat een wijziging van de gecertificeerde instelling daarin verandering gaat brengen. De vader is als eerst aan zet, en zal zijn houding en gedrag moeten veranderen. De vader is hier door verschillende instanties al sinds het begin van de ondertoezichtstelling op gewezen. De kinderrechter wijst daarbij op het volgende:
  • In de beschikking van 12 januari 2024 wordt overwogen dat de Raad voor de Kinderbescherming het in het belang van de kinderen vindt dat zij in ieder geval tijdelijk bij de moeder verblijven, niet alleen omdat de Raad haar als hoofdopvoeder aanwijst, maar ook “gelet op de houding van de vader”. De kinderrechter heeft vervolgens de kinderen uithuisgeplaatst bij de moeder.
  • In de beschikking van 16 juli 2024 wordt door de kinderrechter overwogen dat “de intake bij [instelling] niet goed is verlopen omdat de vader gedrag heeft laten zien, waarbij [instelling] heeft aangegeven het niet te zien zitten om te starten met parallelouderschap of ouderschapsbemiddeling. De GI heeft aangegeven dat zij het lastig vinden om met de vader samen te werken omdat hij de moeder in de weg lijkt te willen zitten en omdat hij niet mee wil werken aan hulpverlening.”
  • In de beschikking van 9 januari 2025 staat in de standpunten opgenomen: “De vader heeft geen vertrouwen meer in de gecertificeerde instelling en ziet geen aanleiding om met hen in gesprek te gaan.”
  • In de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2025 staat het volgende: “De vader wil pas meewerken als het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem is en hij heeft nadrukkelijk ter zitting gesteld niet in te zien waarom hij binnen een ondertoezichtstelling mee moet werken. (…) Het hof acht het in het belang van de minderjarigen dat de vader gaat meewerken en met de jeugdbeschermer in gesprek gaat zonder vooraf voorwaarden te stellen. Zo lang hij dat niet doet is er geen zicht op een constructieve samenwerking en herstel van de verstoorde ouderrelatie.”
  • In het meest recente verzoekschrift beschrijft de gecertificeerde instelling dat het lastig is om tot een samenwerking te komen met de vader.
5.11.
De kinderrechter ziet ook nu dat de vader zowel in het verweerschrift als tijdens de zitting vooral bezig is met het diskwalificeren van anderen en het uiten van verwijten. De vader lijkt in het geheel niet bezig te zijn met de vraag wat er nu nodig is om ervoor te zorgen dat het beter gaat met de kinderen, en wat er in dat kader van hem wordt verwacht. De kinderrechter doet dan ook een dringend beroep op de vader om zich in te gaan spannen voor het tot stand brengen van een constructieve samenwerking (in ieder geval met de gecertificeerde instelling), waarbij de vader zich minder richt op alles wat in zijn ogen niet goed gaat, maar op zoek gaat naar manieren hoe het beter kan.
5.12.
Nog los van het bovenstaande merkt de kinderrechter op dat de afgelopen jaren de moeder en de kinderen binnen de ondertoezichtstelling hulpverlening hebben gekregen en daarvan hebben geprofiteerd. Ook is er sinds vorig jaar een vaste jeugdbeschermer. De huidige jeugdbeschermer biedt dan ook de grootste kans op continuïteit van de regievoering op en het opstarten en profiteren van hulpverlening voor de kinderen, de moeder en hopelijk zo snel mogelijk ook de vader, zodat behoud van de huidige gecertificeerde instelling het meest in het belang is van de kinderen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 18 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst de zelfstandige verzoeken van de vader af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.