ECLI:NL:RBDHA:2026:466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en rechtmatig verblijf van eiser in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep van eiser tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan eiser een maatregel van bewaring is opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft de zaak op 30 december 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde via videoverbinding aanwezig waren. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft in haar overwegingen vastgesteld dat eiser betwist dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, maar dat uit het dossier blijkt dat zijn verblijfsrecht onrechtmatig is. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel van bewaring op de juiste grondslag heeft gebaseerd. Eiser heeft geen bewijs geleverd voor zijn rechtmatig verblijf, en zijn asielaanvraag is eerder buiten behandeling gesteld.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de voorbereiding van de uitzetting van eiser naar Marokko. De rechtbank concludeert dat er zicht op uitzetting bestaat, ondanks de argumenten van eiser dat dit niet het geval zou zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met behulp van een videoverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft eiser rechtmatig verblijf?
1. Eiser betwist dat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Uit het dossierstuk genaamd ‘ID Staat’ volgt dat vanwege technische problemen het EES (Europese Entry/Exit System) niet volledig kon worden bevraagd. Door de fout in dat systeem kon het rechtmatig verblijf niet worden gecontroleerd.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Uit het stuk waarnaar eiser verwijst volgt namelijk ook dat eisers verblijfsrecht onrechtmatig is. Eiser heeft verder niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat hij wel rechtmatig verblijf heeft of toegelicht waaruit dat zou moeten blijken. Zoals de minister op de zitting terecht stelt is eisers asielaanvraag op 3oktober 2025 buiten behandeling gesteld en is er geen andere (asiel)aanvraag geweest waaruit eventueel rechtmatig verblijf uit kan worden afgeleid. Dat er een fout is opgetreden in het geraadpleegde systeem is onvoldoende voor het oordeel dat eiser wel rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft de maatregel van bewaring op de juiste grondslag gebaseerd.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Gelet op de gegevens in het antwoord van de Spaanse autoriteiten op de Dublinclaim staan de identiteit en nationaliteit van eiser al vast. Bovendien is eiser al sinds november bij de minister in beeld. Niet valt in te zien waarom de minister eiser niet al heeft uitgezet naar Marokko of in dat verband niet meer activiteiten heeft verricht.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. [1] De minister heeft uitzettingshandelingen verricht op de derde dag van de inbewaringstelling. Zo heeft de minister op 24 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook heeft de minister intern overlegd over de mogelijkheden om een nieuwe Dublinclaim te versturen naar de Spaanse autoriteiten. Op de zitting heeft de minister verder – onweersproken – toegelicht dat er een aanvraag om een laissez-passer is opgesteld en dit verzoek al is doorgestuurd naar de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA). Dat eisers identiteit en nationaliteit al vast staat en daarom terugkeer snel zou moeten kunnen worden gefaciliteerd, is bovendien onjuist. Eiser heeft geen documenten waaruit zijn identiteit en nationaliteit volgt. Deze moeten daarom nog bij de Marokkaanse autoriteiten worden aangevraagd. Zonder die documenten kan de minister, anders dan eiser kennelijk meent, hem niet uitzetten naar Marokko.
Bestaat het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser is al lange tijd bekend bij de minister en toch heeft de minister hem niet kunnen uitzetten.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [2] De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in het geval van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt. Aangezien eiser geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd, heeft de minister een laissez-passer-traject opgestart. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij geen laissez-passer willen verstreken. Eiser kan dit traject overigens bespoedigen door mee te werken aan zijn uitzetting en de in dat verband benodigde documenten (eiser stelt immers dat hij hierover beschikt) aan de minister ter beschikking te stellen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270; ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
2.Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).