ECLI:NL:RBDHA:2026:467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25_24533
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening asielopvang door COA

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 2 januari 2026, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verzoekt om herplaatsing in de opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) nadat zijn opvang per 3 december 2025 is beëindigd wegens het niet naleven van de meldplicht. Verzoeker had zich niet gehouden aan de verplichting om zich elke twee weken te melden, wat leidde tot zijn uitschrijving uit de opvanglocatie. Ondanks een verzoek om spoedbehandeling, oordeelt de voorzieningenrechter dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet tot de doelgroep van het COA behoort, aangezien hij niet voldoet aan de voorwaarden voor opvang. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoeker weliswaar op straat verblijft, maar dat dit niet voldoende is om een acute noodsituatie aan te nemen. De voorzieningenrechter concludeert dat het COA geen opvang hoeft te bieden aan verzoeker, die zich herhaaldelijk niet heeft gemeld, en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24533

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. F. van Bussel),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om te bepalen dat het COa hem weer toe moet laten tot de opvang.
1.1.
Verzoeker verbleef in een opvanglocatie van het COa. Deze opvang is per 3 december 2025 beëindigd, omdat hij zich niet had gehouden aan de tweewekelijkse meldplicht. Op 23 december 2025 heeft zijn gemachtigde per e-mailbericht aan het COa gevraagd om hem weer toe te laten tot de opvang. Dit heeft het COa bij e-mailbericht van 24 december 2025 geweigerd. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 31 december 2025 heeft verzoeker verzocht om de zaak met spoed te behandelen, omdat hij in de kou op straat verblijft.
1.2.
Het COa heeft op 1 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, omdat verzoeker heeft aangegeven dat hij op straat verblijft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
2.2.
Verzoeker is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en in afwachting van huisvesting in een gemeente. In deze situatie heeft hij recht om gebruik te blijven maken van de voorzieningen van het COa, zoals de voortzetting van de opvang, zolang hij voldoet aan bepaalde voorwaarden. [1] Een van die voorwaarden is dat hij zich minimaal elke twee weken moet melden bij het COa. Deze voorwaarde staat los van de verplichting op grond van het huisreglement van het COa dat bewoners van een opvanglocatie zich elke week moeten melden. In de praktijk komt het erop neer dat als een statushouder zich twee opeenvolgende weken niet aan die meldplicht houdt, zijn recht op opvang vervalt.
2.3.
Uit het verweerschrift volgt dat verzoeker in februari 2025 al een waarschuwingsbrief heeft ontvangen, omdat hij zich een keer niet had gemeld voor zijn wekelijkse interne meldplicht. In die brief is hij er ook voor gewaarschuwd dat zijn opvang zou worden gestaakt als hij zich de week erna weer niet zou melden. Die volgende week heeft verzoeker zich weer wel gemeld, maar in de maanden daarna heeft verzoeker nog meerdere keren nagelaten zich te melden. Omdat hij zich op 2 december 2025 voor de tweede achtereenvolgende week niet meldde, heeft het COa verzoeker per 3 december 2025 uitgeschreven bij de opvanglocatie.
2.4.
Verzoeker betwist niet dat hij zich niet aan de tweewekelijkse meldplicht heeft gehouden, maar vraagt het COa hem opnieuw opvang te bieden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stelt het COa zich echter terecht op het standpunt dat verzoeker niet (meer) behoort tot de doelgroep van het COa. Verzoeker valt namelijk niet onder één van de categorieën vreemdelingen die op grond van de Rva 2005 of de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen recht hebben op opvang. [2] Ook is niet gebleken dat als gevolg van de weigering om opvang te verlenen een acute (medische) noodsituatie zal ontstaan. De omstandigheid dat verzoeker nu geen opvang heeft en op straat leeft, is in dat verband onvoldoende. Het COa heeft er daarbij op kunnen wijzen dat verzoeker wel een inschrijving in de Basisregistratie personen heeft, zodat hij zich kan wenden tot de gemeente waar hij staat ingeschreven als hij opvang nodig heeft. Het COa heeft er ook terecht op gewezen dat algemeen bekend is dat in Nederland een groot tekort aan opvangplekken bestaat zodat niet van het COa verwacht kan worden plaatsen beschikbaar te houden voor vreemdelingen die niet tot de doelgroep behoren en die, zoals in het geval van verzoeker, zich meermaals niet hebben gemeld op de opvanglocatie omdat zij op dat moment elders verblijven.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat het COa aan verzoeker geen plek in de opvang hoeft te verlenen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De griffier is verhinderd De voorzieningenrechter is
te ondertekenen verhinderd te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de artikelen 3 en 12 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005).
2.Zie onder meer de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4553.