ECLI:NL:RBDHA:2026:4701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/7924
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4.23 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking last onder dwangsom voor gewijzigd zolderkozijn

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om terug te komen op een eerder opgelegde last onder dwangsom voor het zonder omgevingsvergunning wijzigen van een zolderkozijn. Het kozijn was vervangen door een kunststof kozijn, en eisers wilden handhaving afdwingen.

De rechtbank stelt vast dat het college de last onder dwangsom vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft opgelegd, waardoor het overgangsrecht van toepassing is. Het college heeft vervolgens het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat onvoldoende duidelijk is hoe het kozijn er vóór de vervanging in 1996 uitzag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat herstel naar de oude situatie niet mogelijk is vanwege gebrek aan duidelijke informatie.

Eisers stelden dat het kozijn teruggebracht kon worden naar gelijkwaardige karakteristieke waarden, maar de rechtbank volgt het college dat ook dit niet mogelijk is zonder schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van eisers wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen het besluit om terug te komen op de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2] , uit [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar, mr. J.C.L de Bruijn en mr. S. Roth).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het rechtswege beroep van eisers tegen een besluit van het college waarbij wordt teruggekomen van het opleggen van een last onder dwangsom. De ingetrokken last onder dwangsom heeft betrekking op het zonder omgevingsvergunning wijzigen van een zolderkozijn, waarbij het is vervangen door een kozijn van kunststof. Eisers zijn het er niet mee eens dat uiteindelijk wordt afgezien van handhavend optreden en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het niet bevoegd is handhavend op te treden. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 31 maart 2022 (het primaire besluit) heeft het college - voor zover in deze zaak van belang - een verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen een zonder omgevingsvergunning gewijzigd kozijn van het zolderraam van de woning
[adres 1] in [plaats] (het pand) afgewezen.
2.1.
Naar aanleiding van het daartegen door eisers gemaakte bezwaar heeft het college besloten tot handhavend optreden. Bij besluit van 21 oktober 2022, verzonden op
25 oktober 2022, heeft het college aan de toenmalige eigenaar van het pand ( [naam] ) een last onder dwangsom opgelegd. Die last strekte ertoe het kozijn te vervangen door een kozijn met dezelfde profilering en detaillering als het vorige kozijn op de tweede verdieping van de voorgevel van het pand, of deze te vervangen door een kozijn met dezelfde profilering en detaillering als het kozijn op de tweede verdieping van de voorgevel van de woning van het pand [adres 2] .
2.2.
Door [naam] is beroep ingesteld tegen het besluit van 21 oktober 2022. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 22/8505. Eisers namen als derde-partijen deel aan dat geding.
2.3.
Hangende het beroep van [naam] heeft het college een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Bij dit besluit is het college teruggekomen van de opgelegde last onder dwangsom. Het bezwaar van eisers is ongegrond verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek is onder een aanvullende motivering in stand gelaten.
2.4.
[naam] heeft het pand verkocht aan derde-partijen. Omdat derde-partijen de procedure niet wensten voort te zetten, heeft de rechtbank het beroep van [naam] als ingetrokken beschouwd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 30 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 februari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft de zaak op 13 juni 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak met nummer SGR 25/99. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn verschenen.
2.7.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat het college schriftelijk kon reageren op het door eisers ingenomen standpunt dat in de onderhavige procedure een beroep van hen tegen het besluit van 28 februari 2025 aanhangig is, op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college is daarbij ook in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de ter zitting door eisers aangevoerde beroepsgronden. Eisers en derde-partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op de schriftelijke reactie van het college.
2.8.
Het college heeft zijn reactie op 15 juli 2025 ingediend. Eisers hebben hun reactie op 29 september 2025 ingediend. Derde-partijen hebben hun reactie op 22 oktober 2025 ingediend.
2.9.
Partijen hebben desgevraagd geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Rechtswege beroep
4. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 28 februari 2025 een besluit tot wijziging van het oorspronkelijk bestreden besluit van 25 oktober 2022 is. De rechtbank stelt verder vast dat het college in het besluit van 28 februari 2025 alsnog het bezwaar van eisers ongegrond heeft verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van hun handhavingsverzoek nadelige wijziging in voor eisers, die in de hoedanigheid onder aanvullende motivering in stand heeft gelaten. Dit houdt een van derde-belanghebbenden als partij deelnamen aan het geding van [naam] over het besluit van 21 oktober 2022. Daarom is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor eisers een beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 28 februari 2025. [1] Dat [naam] zijn beroep heeft ingetrokken doet daar niet aan af. [2]
Terugbrengen zolderraamkozijn naar situatie vóór vervanging in 1996
5. Eisers betogen dat de situatie van vóór de vervanging in 1996 van het kozijn voldoende duidelijk is. In de overeenkomst tussen de gemeente en de voormalige eigenaar van de woning aan de [adres 1] wordt vermeld dat het om het bestaande kozijn gaat. In de tekeningen van [architect] is de situatie van het bestaande kozijn weergegeven. Eisers verwijzen ook naar het voorstel voor akoestische isolatie van ‘ [adviesbureau] B.V.’ van 5 april 1996 en foto’s van het oude kozijn. Het gebruik maken van tekeningen van de oude situatie was een vereiste voor subsidieverlening. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 februari 2023 [3] volgt naar de mening van eisers dat in de onderhavige zaak voldoende informatie beschikbaar is om de detaillering, profilering en vormgeving van het oude kozijn vast te stellen.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen last onder dwangsom kan worden opgelegd, omdat de situatie van vóór de vervanging in 1996 van het kozijn onvoldoende duidelijk is. Het college voert aan dat er geen bouwtekeningen beschikbaar zijn waaruit de detaillering, profilering en vormgeving van het kozijn van vóór de vervanging in 1996 zijn af te leiden. Eisers zijn geen partij bij de in 1996 gesloten privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de voormalige eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Eisers kunnen daarom geen rechten ontlenen aan de tekening die onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst. Voor zover de privaatrechtelijke overeenkomst enige publiekrechtelijke toestemming impliceert, voert het college aan dat de tekening op wijzigingen ziet in het kader van een geluidsisolatieproject. De tekening verschaft geen duidelijkheid over de situatie voorafgaand aan het aanbrengen van de wijzigingen, aldus het college.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 5 februari 2025 over handhaving tegen gewijzigde kozijnen op de begane grond en de eerste verdieping van het pand, heeft overwogen dat uit de door eisers ingediende stukken, uit de afbeeldingen op Google Maps en aan de hand van de nog aanwezige kozijnen in de woning of die van het buurpand, de detaillering, profilering en vormgeving van de oorspronkelijke kozijnen niet kan worden afgeleid. Daarom is herstel in de oude toestand niet mogelijk, of althans kan niet met zekerheid worden gesteld dat eventueel herstelde kozijnen overeenkomen met de kozijnen in de oude toestand. Er kan niet worden vastgesteld op welke wijze de overtreding ongedaan gemaakt kan worden en welke herstelmaatregelen daarvoor nodig zijn. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het geen last onder dwangsom kon opleggen tot beëindiging van de overtreding.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat uit de Afdelingsuitspraak van 5 februari 2025 eveneens volgt dat geen last onder dwangsom kan worden opgelegd, die voorziet in herstel van het zolderkozijn overeenkomstig de situatie van vóór de vervanging in 1996.
Alternatieven voor herstel overtreding
6. Eisers betogen dat, voor zover de situatie van vóór de vervanging in 1996 van het kozijn onvoldoende duidelijk is, het bij een last onder dwangsom niet per se hoeft te gaan om herstel van de oude situatie. Het zolderkozijn kan volgens hen – in lijn met de regeling voor karakteristieke panden in het bestemmingsplan – worden teruggebracht naar identieke en/of gelijkwaardige karakteristieke waarden. Volgens eisers had het college een daartoe strekkende last moeten opleggen. Eisers verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, waarin wordt overwogen dat het college een handreiking heeft gedaan waarin de mogelijkheid wordt opengelaten om niet terug te gaan naar de situatie in 2017, maar de kozijnen aan te passen aan de nieuwe kozijnen in het buurpand ( [huisnummer] ).
6.1.
De rechtbank overweegt het volgende. In de uitspraak van 5 februari 2025 heeft de Afdeling overwogen dat aan de hand van de afbeeldingen op Google Maps of aan de hand van de nog aanwezige kozijnen in de woning of die in het buurpand niet kan worden vastgesteld wat er aan de huidige kozijnen moet veranderen om de overtreding te beëindigen. Over het nog aanwezige kozijnen in het buurpand heeft de Afdeling overwogen dat deze geen uitsluitsel geven over het oorspronkelijke uiterlijk van de vervangen kozijnen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de in de uitspraak van
22 februari 2023 bedoelde mogelijkheid om de kozijnen aan te passen aan de kozijnen van het buurpand ([huisnummer]) ook niet kan leiden tot een rechtens juiste last onder dwangsom. Verder volgt de rechtbank het college in het standpunt dat uit de geveltekening die onderdeel uitmaakt van het subsidietraject voor vervanging van de kozijnen, geen uitsluitstel schept over het oorspronkelijke uiterlijk van het zolderkozijn, omdat deze tekening niet ziet op de situatie voorafgaand aan de vervanging van dat kozijn.
6.2.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het college in het standpunt dat voldoende gedetailleerde informatie over het uiterlijk van het zolderkozijn ontbreekt en dat niet kan worden vastgesteld op welke wijze de overtreding ongedaan kan worden gemaakt. Uit het voorgaande vloeit voort dat het ook in strijd met de rechtszekerheid zou zijn om een last op te leggen die voorziet in het terugbrengen van het zolderkozijn naar identieke en/of gelijkwaardige karakteristieke waarden, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. Ook als eisers moeten worden gevolgd in het standpunt dat het zolderkozijn detoneert in het straatbeeld, staat vast dat het college geen last onder dwangsom kan opleggen. Het betoog van eisers dat het college nader advies had moeten inwinnen bij Erfgoed Leiden en Omstreken en welstand slaagt daarom ook niet.
Heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?
7. Eisers betogen dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door niet te handhaven tegen de wijziging van het zolderkozijn van het pand. Het college heeft aan eisers een last onder dwangsom opgelegd in verband met de kozijnen van hun pand. De oude kozijnen van eisers zijn vergelijkbaar met die van het pand.
7.1.
Volgens het college is geen sprake van gelijke gevallen. De kozijnen in het pand van eisers zijn niet geplaatst in overleg met de gemeente in het kader van een geluidsisolatieproject van de gemeente, maar later vervangen. Het zolderraamkozijn van het pand zit hoger en is meer uit het zicht dan de kozijnen op de eerste verdieping van de woning van eisers.
7.2.
Gelet op de door het college aangeduide verschillen met de kozijnen van het pand van eisers, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. Daar voegt de rechtbank aan toe dat het college naar aanleiding van het bezwaar van eisers wel degelijk tot handhaving is overgegaan. Uit de Afdelingsuitspraak van 2 februari 2025 volgt echter dat handhavend optreden in strijd is met de rechtszekerheid. Ook daarom is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
8. Het betoog van eisers dat het college – gelet op een verklaring van een senior handhavingsjurist – heeft erkend dat het verantwoordelijk is voor de plaatsing van het zolderkozijn en daarmee voor de overtreding, kan geen doel treffen. Ook als het college verantwoordelijk zou zijn voor de overtreding, geldt dat er geen last kan worden opgelegd die niet voldoet aan de eisen van rechtszekerheid.
8.1.
De rechtbank ziet verder niet in dat het voor de beoordeling van dit geschil van belang is of al dan niet sprake is van handhaving naar aanleiding van een burenruzie. Uit het Uitvoeringsprogramma 2023 Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving volgt dat handhavingsverzoeken bij burenruzies een lagere prioriteit krijgen. Dat heeft er in deze zaak niet aan in de weg gestaan dat het college aanvankelijk handhavend is opgetreden. Uit de Afdelingsuitspraak van 5 februari 2025 volgt dat het college uit het oogpunt van rechtszekerheid niet kan optreden. Deze belemmering voor handhavend optreden is er ongeacht of sprake is van een burenruzie en ook ongeacht of eisers als directe buren reële overlast ervaren van de overtreding.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:669, onder 15.
2.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM6481, onder 2.1.
3.Uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:736.