Uitspraak
200502750/1), heeft als uitgangspunt te gelden dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de beleidsregel van 3 juni 2008 van kracht. Volgens die beleidsregel kunnen panden die voor 26 mei 2007 de functie kamerverhuur hadden, worden gelegaliseerd indien voor 12 juni 2008 een aanvraag voor een onttrekkingsvergunning is ingediend. Ter zitting van de Afdeling heeft het college betoogd dat onder de term "functie kamerverhuur" ook die situatie valt waarin voor 26 mei 2007 een nog niet onherroepelijke onttrekkingsvergunning is verleend, maar het pand waarvoor die vergunning is verleend nog niet voor kamerverhuur werd gebruikt. Dit komt de Afdeling juist voor, omdat op deze wijze wordt voorkomen dat degene aan wie voor 26 mei 2007 een onttrekkingsvergunning was verleend maar het pand waarvoor die vergunning is aangevraagd nog niet als kamerverhuurpand gebruikte, in een slechtere positie zal komen dan degene die voor 26 mei 2007 een pand als kamerverhuurpand gebruikte maar eerst na die datum een aanvraag voor een onttrekkingsvergunning voor dat pand aanvroeg. Uitgaande van de toepasselijkheid van de beleidsregel van 3 juni 2008 en de daarin vervatte overgangsregeling en van de door het college bepleite uitleg daarvan, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet alsnog mocht weigeren de onttrekkingsvergunning voor het pand [locatie] te verlenen omdat in de Parkweg meer dan vijftien procent van de woningen als kamerverhuurpand wordt gebruikt. Het betoog faalt.