ECLI:NL:RBDHA:2026:4719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL25.15413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor zichzelf en haar minderjarige kinderen met als verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid bij een referent. De minister heeft deze aanvraag op 22 januari 2024 afgewezen en is bij het bezwaarbesluit van 19 maart 2025 bij die afwijzing gebleven.

Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de hoofdzaak behandeld op 25 november 2025. Omdat de rechtbank bij uitspraak in de hoofdzaak het beroep gegrond heeft verklaard, is een voorlopige voorziening niet langer nodig.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard, en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15413

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

geboren op [geboortedatum 1] 1997,
V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen,

[minderjarige 1] en [minderjarige 2]

geboren op [geboortedatum 2] 2020 en [geboortedatum 3] 2023,
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
allen van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).

Procesverloop

1.1
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor haarzelf en haar minderjarige kinderen met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’.
1.2
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL25.15412, op
25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster,
[referente] (de minderjarige dochter van verzoekster en referente), de gemachtigde van verzoekster, A. Ikar (tolk) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.15412, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en het beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.