ECLI:NL:RBDHA:2026:4723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL26.3352 en NL26.3353
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E. M. A. Vinken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Spanje

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublinverdrag.

Eiser betoogde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, verwijzend naar persoonlijke ervaringen en rapporten die structurele tekortkomingen in het Spaanse asiel- en opvangsysteem aantonen. Ook stelde hij dat zijn medische situatie individueel beoordeeld had moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest. De rapporten en persoonlijke omstandigheden boden geen grond voor afwijking.

De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van connexiteit. Proceskosten werden niet toegekend.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. E. M. A. Vinken en griffier M. Ramdihal op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3352 en NL26.3353
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft in zijn algemeenheid verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder de persoonlijke ervaringen van eiser daarbij te betrekken. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [2] en stelt dat het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verweerder niet ontslaat van (de verplichting tot) het meewegen van relevante, objectieve informatie. [3]
Eiser stelt geen toegang tot de procedure en opvang te zullen krijgen in Spanje. De persoonlijke ervaringen van eiser in Spanje zijn overeenkomstig met wat is vermeld in het AIDA-rapport van mei 2025 en het CEAR-rapport van 2025, waaruit blijkt dat Spanje structurele knelpunten kent, zoals lange wachttijden voor registratie, overbelasting Barajas en tekorten aan tolken. Tot slot stelt eiser dat zijn medische omstandigheden, die hij lastig kan onderbouwen omdat hij in de noodopvang verblijft, door verweerder individueel beoordeeld moest worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat verweerder voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van Pro het Handvest [5] of artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
5.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2025 het meest recente AIDA-rapport [7] betrokken en geconcludeerd dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de eerdere uitspraken van de Afdeling. [8] De verwijzing naar het CEAR-rapport van 2025 geeft geen grond anders te oordelen. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te krijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling.
5.2
De Spaanse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen. Daarmee garanderen de Spaanse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Eiser heeft niet met concrete eigen ervaringen onderbouwd dat hij geen toegang tot de procedure of opvang zal krijgen in Spanje.
Mocht eiser in Spanje problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot onevenredige hardheid bij overdracht aan Spanje. Eiser heeft zijn gestelde medische omstandigheden niet met medische documenten of ander bewijs onderbouwd. Verweerder mocht aannemen dat er geen sprake is van dusdanige ernstige medische problematiek dat eiser niet overgedragen kan worden aan Spanje.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. M. A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 februari 2025, ECLI:NLRVS:2025:381, 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5661 en 9 januari 2026, ECLI:NLRVS:2026:92.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.AIDA-rapport, Country Report: Spain (2024 Update), 30 april 2025.
8.Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1481 van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880 en van 24 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2548.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.