Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag waarin zijn verzoeken om dwangsommen werden afgewezen. Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat de bezwaarschriften niet waren ondertekend, ondanks een gegeven hersteltermijn. Eiser stelde dat hij niet op de hoogte was van de noodzaak van een handtekening en ontkende ontvangst van de herstelverzoeken.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 6:5 enPro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college had eiser tijdig en duidelijk geïnformeerd over het ontbreken van de handtekening en de mogelijkheid tot herstel. De enkele ontkenning van eiser dat hij de e-mails heeft ontvangen, is onvoldoende om het oordeel te wijzigen.
De rechtbank behandelt in deze uitspraak uitsluitend de ontvankelijkheid van het bezwaar en gaat niet in op de inhoud van de primaire besluiten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen gelijk. Tevens is eiser vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een handtekening.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7014
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het college waarbij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een handtekening in het bezwaarschrift. Eiser is het daar niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft diverse aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand. Vervolgens heeft het college de brieven van eiser van 5 mei 2024 en 13 mei 2024 aangemerkt als ingebrekestellingen vanwege het uitblijven van een besluit op eisers aanvragen. Bij twee afzonderlijke besluiten van 16 mei 2024 (de primaire besluiten) heeft het college de verzoeken om een dwangsom afgewezen omdat de ingebrekestellingen te vroeg zijn ingediend.
2.1.
Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2024 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser de bezwaarschriften, ondanks de gegeven hersteltermijn, niet heeft ondertekend.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Betalingsonmacht
3. De rechtbank ziet aanleiding het beroep op betalingsonmacht te honoreren. Eiser is daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Ontvankelijkheid van het bezwaar
4. Gelet op hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard benadrukt de rechtbank allereerst dat in deze uitspraak enkel wordt beoordeeld of het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Dit betekent dat de rechtbank de primaire besluiten en de afgewezen aanvragen bijzondere bijstand voor tandartskosten en begrafeniskosten niet inhoudelijk bespreekt. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Ter zitting heeft eiser enkel verklaard dat hij geen bericht heeft ontvangen dat hij een ondertekend bezwaarschrift aan het college moest opsturen.
4.1
In art. 6:5, lid 1, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de formele vereisten opgesomd waaraan een bezwaar- of beroepschrift moet voldoen. Zo moet het zijn ondertekend en moet het ten minste de NAW [1] -gegevens van de indiener, een dagtekening, een omschrijving van het aangevallen besluit en de gronden van het bezwaar of beroep bevatten. Op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 vanPro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2.
Hoewel artikel 6:6 vanPro de Awb een discretionaire bevoegdheid bevat, gaat deze bepaling over vormverzuimen en het bieden van een gelegenheid om deze te herstellen. Het bestuursorgaan mag slechts tot niet-ontvankelijkheid beslissen indien het een termijn voor het herstel van het verzuim heeft gesteld en deze ongebruikt is verstreken. Als is voldaan aan de vereisten van artikel 6:6 vanPro de Awb heeft het college dus de keuze om de in die bepaling neergelegde bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren te gebruiken.
4.3.
Blijkens het dossier heeft eiser op 27 juni 2024, via het e-mailadres [e-mailadres 1], bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. [2] Vervolgens heeft het college op 16 juli 2024 de ontvangst van de bezwaarschriften bevestigd middels twee
e-mailberichten, verstuurd om 8:58 uur en 9:00 uur naar het e-mailadres [e-mailadres 1]. [3] In de gelijkluidende e-mailberichten van 16 juli 2024 staat het volgende :
“Geachte [eiser],
Hierbij doe ik u de ontvangstbevestiging toekomen van uw bezwaarschrift van 26 juni 2024 tegen het besluit inzake beslissing op uw ingebrekestelling. Ik verwijs u naar de inhoud van de ontvangstbevestiging in de bijlage bij deze e-mail. Deze bijlage graag goed doornemen en reageren op eventuele verzoeken die hierin staan. Deze zijn belangrijk voor de behandeling van uw bezwaarschrift. Bij vragen kunt u contact opnemen via [e-mailadres 2]. (…)”
In de als bijlage bij de e-mailberichten meegestuurde brief, gedateerd 15 juli 2024, is eiser meegedeeld dat de bezwaarschriften niet zijn ondertekend. Het college heeft eiser daarom gevraagd om binnen twee weken alsnog getekende bezwaarschriften op te sturen. Dit kan per e-mailbericht naar [e-mailadres 2] of eiser kan het afgeven. Het college heeft eiser in de brief erop gewezen dat het bezwaarschrift niet in behandeling genomen kan worden als eiser niet of niet tijdig reageert. Het bezwaarschrift wordt dan afgedaan zonder dan hij de gelegenheid krijgt voor een mondelinge toelichting en zonder dat zijn bezwaren inhoudelijk worden behandelend.
4.4.
Niet in geschil is dat eiser niet tijdig ondertekende bezwaarschriften heeft opgestuurd per e-mail of heeft afgegeven. Gelet op de e-mailberichten van 16 juli 2024 heeft het college voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:6, van de Awb door eiser een termijn te geven om het verzuim van een ontbrekende handtekening in de bezwaarschriften te herstellen. De enkele ontkenning van eiser ter zitting dat hij de e-mailberichten van 16 juli 2024 heeft ontvangen is onvoldoende om daar anders over te oordelen. Daarbij komt dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij de enige persoon is die het e-mailadres [e-mailadres 1] gebruikt. Verder is van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij bij voorkeur via de elektronische weg met het college communiceert en het dus ook niet de eerste keer is dat eiser via de elektronische weg communiceert met het college.
4.5.
Voor zover eiser met de stelling ter zitting dat hij de enige persoon is die het
e-mailadres [e-mailadres 1] gebruikt wil betogen dat een handtekening onder het bezwaarschrift niet noodzakelijk is, volgt de rechtbank hem daarin niet. Nu in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb een ondertekening als formeel vereiste is opgenomen, volgt hieruit al de noodzaak van het verstrekken van een ondertekend bezwaarschrift. Dat het college communicatie via de elektronische weg heeft opengesteld betekent niet dat het college een bezwaarschrift dat niet voldoet aan de formele vereisten van de Awb moet accepteren. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren.
5. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het college ter zitting heeft toegelicht dat ook bij een inhoudelijke beoordeling van de primaire besluiten dit niet geleid zou hebben tot toekenning van dwangsommen. Volgens het college was de ingebrekestelling met betrekking tot de aanvraag bijzondere bijstand voor tandartskosten te vroeg verstuurd omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. De ingebrekestelling met betrekking tot de aanvraag bijzondere bijstand voor begrafeniskosten is te laat verstuurd, omdat het is verstuurd nadat er al is beslist op de aanvraag.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
- de griffier is verhinderd om
te ondertekenen -
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.NAW = Naam, Adres, Woonplaats
2.Zie de stukken door het college genummerd 52 tot en met 55.
3.Zie de stukken door het college genummerd 59 tot en met 62.