ECLI:NL:RBDHA:2026:474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL24.3161 en NL24.3173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke controle van terugkeerbesluit en inreisverbod in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Eiser, een Albanese nationaliteit, had beroep ingesteld tegen het op 4 januari 2024 vastgestelde terugkeerbesluit en het op 9 januari 2024 uitgevaardigde inreisverbod. De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak op 24 oktober 2025 vastgesteld dat de rechtmatigheid van deze besluiten ex nunc moet worden beoordeeld, in overeenstemming met richtlijn 2008/115. Eiser heeft aangevoerd dat er na de besluiten relevante feiten en omstandigheden zijn veranderd, maar de rechtbank oordeelt dat hij geen nieuwe feiten heeft aangedragen die de rechtmatigheid van de besluiten aantasten. De rechtbank heeft vastgesteld dat bij de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod rekening is gehouden met alle feiten die eiser destijds heeft gepresenteerd. De rechtbank concludeert dat beide beroepen ongegrond zijn, omdat er geen bewijs is dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en het inreisverbod is aangetast door nieuwe feiten. De rechtbank heeft geen proceskostenveroordeling uitgesproken, aangezien beide beroepen ongegrond zijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.3161 en NL24.3173 Einduitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1982, Albanese nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 januari 2024 een terugkeerbesluit vastgesteld en op 9 januari 2024
een inreisverbod met een duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft op 27 februari 2024 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit (NL24.3161) en tegen het inreisverbod (NL24.3173). Eiser heeft tevens verzoeken om een voorlopige voorziening hangende deze beroepprocedures aanhangig gemaakt (NL24.3162 en NL24.3177).
De rechtbank heeft de beroepen op 23 oktober 2025 op zitting behandeld en op 24 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:19505).
Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft geboden om een standpunt in te nemen over de vraag of een ex tunc rechterlijke controle van het terugkeerbesluit en inreisverbod verenigbaar is met het Unierecht. Partijen hebben niet aangegeven een voorzetting van het onderzoek ter zitting te wensen.
De rechtbank heeft het onderzoek in beide beroepprocedures gesloten op 12 januari 2026.

Overwegingen

1. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 24 oktober 2025 heeft overwogen.
2. Verweerder heeft op 4 januari 2024 een terugkeerbesluit vastgesteld en om een onttrekkingsrisico en daarmee het onthouden van een termijn voor vrijwillig vertrek te onderbouwen, twee zogenoemde zware gronden en drie zogenoemde lichte gronden opgevoerd. Omdat verweerder geen termijn voor vrijwillig vertrek heeft bepaald, heeft verweerder op 9 januari 2024 een inreisverbod opgelegd.
3. Eiser heeft één van de lichte gronden betwist. Eiser heeft tevens aangegeven inmiddels een aanvraag toetsing EU-te hebben ingediend. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij grotendeels bij zijn huidige partner verblijft, die tevens de moeder is van zijn dochtertje. Het gezin woont samen en eiser en zijn partner dragen samen de dagelijkse zorg voor hun dochtertje. Daarnaast verzorgt eiser tevens de zoon van zijn partner en is hij overgegaan tot erkenning van deze zoon. Eiser is van mening dat hij op grond van Chavez-Vilchez rechtmatig verblijf heeft en het terugkeerbesluit ten onrechte werd opgelegd en dat door het opleggen van een inreisverbod zijn rechten die hij ontleent aan artikel 8 EVRM worden geschonden.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van het inreisverbod rekening heeft gehouden met alle feiten en omstandigheden die eiser destijds heeft aangedragen en beide besluiten dus rechtmatig zijn. Op vragen van de rechtbank heeft verweerder aangegeven dat ten tijde van het onderzoek ter zitting niet kan worden vastgesteld dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft.
5. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 24 oktober 2025 onder meer het navolgende overwogen:
(…)

7. Door het vaststellen van een terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod wordt richtlijn 2008/115 ten uitvoer gelegd. Het instellen van een rechtsmiddel tegen deze besluiten is ook geregeld in deze richtlijn en artikel 13, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat dit rechtsmiddel doeltreffend moet zijn.

8.De verplichting voor de rechter om rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen gelden ook indien zij de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en inreisverbod controleert.
(…)
10.Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf had ten tijde van het vaststellen van het terugkeerbesluit en ook nu geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank overweegt dat op grond van de thans overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft. Verweerder heeft terecht Albanië als land van terugkeer benoemd. De rechtbank is het voorts eens met verweerder dat bij de oplegging van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van het inreisverbod rekening is gehouden met alle feiten en omstandigheden die eiser destijds naar voren heeft gebracht. De rechtbank vraagt zich evenwel af indien de rechtbank deze besluiten ruim anderhalf jaar later controleert en eiser in wezen stelt dat er een wijziging van feiten en omstandigheden die verband houden met de in artikel 2008/115 genoemde belangen heeft plaatsgevonden, de rechtbank deze belangen buiten beschouwing kan laten. (…) In het geval dat na het vaststellen van een terugkeerbesluit feiten en omstandigheden blijken waaruit een refoulementrisico blijkt, is evident dat de rechtbank dit niet buiten beschouwing kan laten bij de al dan niet ambtshalve controle van het terugkeerbesluit. In de onderhavige procedure rijst de vraag of dit anders is als het gaat om de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. De rechtbank merkt ter verduidelijking en zoals besproken ter zitting op dat deze vraag geen betrekking heeft op de motiveringsvereisten die aan het terugkeerbesluit en inreisverbod worden gesteld, maar uitsluitend ziet op de omvang van de rechterlijke controle.
11.Omdat de rechtsvraag of de jurisprudentie waaruit volgt dat de rechter de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit en een inreisverbod ex tunc moet beoordelen verenigbaar is met richtlijn 2008/115 een principieel karakter heeft en omdat over de uitleg van het Unierecht kan worden getwijfeld, stelt de rechtbank beide partijen in de gelegenheid om een schriftelijk standpunt in te nemen alvorens de rechtbank beslist over de verdere voortgang van deze procedure.
(…)
6. Verweerder heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat een ex nunc beoordeling van het terugkeerbesluit niet is vereist. Eiser stelt zich op het standpunt dat een actuele beoordeling van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen wel is vereist.
7. De rechtbank overweegt dat de rechter de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit en een inreisverbod
ex nuncmoet beoordelen en dat een andere uitleg onverenigbaar is met richtlijn 2008/115 omdat een ex tunc beoordeling niet kan worden gekwalificeerd als een doeltreffend rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/115.
8. De rechterlijke controle van een terugkeerbesluit vereist een actuele en zo nodig ambtshalve refoulementbeoordeling omdat het refoulementverbod een absoluut karakter heeft. Door de rechterlijke controle komt het terugkeerbesluit, behoudens de situatie dat hoger beroep wordt ingesteld, vast te staan en ontstaat voor de vreemdeling een terugkeerverplichting en voor verweerder de verplichting om de vreemdeling te verwijderen indien deze niet zelfstandig voldoet aan zijn terugkeerverplichting. Indien de rechter zou volstaan met een ex tunc beoordeling van het refoulementrisico ontstaan deze terugkeerverplichtingen zonder dat is nagegaan of ook gevolg gegeven kan worden aan deze terugkeerverplichting. Dat zou de rechterlijke controle zinledig maken omdat die rechterlijke controle geen finaal oordeel behelst over het moeten voldoen aan deze terugkeerverplichting. Dit geldt ook voor de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. Het Hof heeft verduidelijkt dat deze belangen in de weg kunnen staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit (arrest TQ van 14 januari 2021, C‑441/19, EU:C:2021:9 en arrest Medicinale Cannabis van 22 november 2022, C‑69/21, EU:C:2022:913). Indien de rechtbank de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit controleert vereist dit dan ook dat bij deze beoordeling wordt betrokken of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan dat terugkeerbesluit en inreisverbod. Indien dit namelijk het geval is kan er geen terugkeerverplichting ontstaan. De rechtbank merkt hierbij dat in de onderhavige procedure, anders dan in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 januari 2026 geen sprake is van ‘een eerste terugkeerbesluit’. Dit laat onverlet dat in beide gevallen een ex nunc beoordeling is vereist van het terugkeerbesluit. Indien het terugkeerbesluit ten tijde van de vaststelling hiervan rechtmatig is, kan een ex nunc beoordeling immers ook leiden tot het oordeel dat de terugkeerverplichting weliswaar is ontstaan, maar de dat de verwijdering op grond van artikel 9 van richtlijn 2008/115 moet worden uitgesteld.
9. De verplichtingen voor de lidstaten die volgen uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 ontstaan zodra een derdelander onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt en zien op de gehele periode waarin richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd. In artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft de Uniewetgever geen onderscheid gemaakt tussen verplichtingen die gelden bij de vaststelling en rechterlijke controle van een terugkeerbesluit en de uitvaardiging en rechterlijke controle van een inreisverbod. Het inreisverbod treedt evenwel pas in werking op het moment dat het terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. De rechtbank merkt hierbij op dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen, anders dan het beginsel van non-refoulement, geen verband houden met absolute grondrechten. Het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, dienen echter zowel bij de beoordeling of een terugkeerbesluit mag en moet worden vastgesteld, als bij de beoordeling van de duur van een uit te vaardigen inreisverbod te worden betrokken. De rechtbank overweegt dat uit richtlijn 2008/115 niet valt af te leiden dat de Uniewetgever een andere rechterlijke controle van deze belangen heeft beoogd al naar gelang de controle een terugkeerbesluit danwel en inreisverbod betreft. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat het ook niet logisch is om deze belangen ex tunc te beoordelen, dan wel om een onderscheid te maken tussen de rechterlijke controle van een terugkeerbesluit en de rechterlijke controle van een inreisverbod.
10. De rechtbank overweegt dan ook dat het Unierecht een ex nunc rechterlijke controle van het terugkeerbesluit en het inreisverbod vereist. De rechtbank ziet hiervoor steun in het arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647, C-313/25 PPU) waarin het Hof onder meer het navolgende heeft overwogen:
(…)

79 Artikel 5 van richtlijn 2008/115, dat – zoals in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dat met name onder „juridische overwegingen” in de zin van artikel 15, lid 4, van die richtlijn valt, verplicht de lidstaten om naar behoren rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken derdelander. Net als met het beginsel van non-refoulement moet met deze belangen in alle stadia van de terugkeerprocedure naar behoren rekening worden gehouden, met name op het moment waarop een terugkeerbesluit, een besluit betreffende een inreisverbod of een verwijderingsmaatregel wordt vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 104; 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige), C‑441/19, EU:C:2021:9, punt 44; 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 91, en 27 april 2023, M.D. (Inreisverbod voor Hongarije), C‑528/21, EU:C:2023:341, punten 89‑91], of bij bewaring met het oog op verwijdering.

80 Hieruit volgt dat het aan de bevoegde rechterlijke autoriteit staat om bij het onderzoek van de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring – zo nodig ambtshalve – na te gaan of die belangen zich verzetten tegen, ten eerste, de bewaring als zodanig van de betrokken illegaal verblijvende derdelander en, ten tweede, diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit.

81 Deze uitlegging vindt steun in de met artikel 5 van richtlijn 2008/115 nagestreefde doelstelling. Zoals wordt bevestigd in de overwegingen 22 en 24 van deze richtlijn, strekt deze bepaling er immers toe om in het kader van de door deze richtlijn vastgestelde terugkeerprocedure te waarborgen dat verschillende grondrechten, waaronder het recht op een familie- en gezinsleven en de grondrechten van het kind, zoals neergelegd in respectievelijk de artikelen 7 en 24 van het Handvest, worden geëerbiedigd. Daaruit volgt dat dit artikel 5, gelet op de daarmee nagestreefde doelstelling, niet restrictief mag worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C‑112/20, EU:C:2021:197, punt 35].

82 Anders dan de in artikel 4 van het Handvest verankerde bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling, zijn de door de artikelen 7 en 24 van het Handvest gewaarborgde rechten evenwel niet absoluut en kunnen zij dus worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest [arrest van 22 februari 2022, Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (Eenheid van het gezin – Reeds toegekende bescherming), C‑483/20, EU:C:2022:103, punt 36].

83 Daarnaast zij eraan herinnerd dat op de illegaal verblijvende derdelander een plicht tot loyale samenwerking rust die hem gebiedt om de bevoegde nationale autoriteit onverwijld in kennis te stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven [zie in die zin arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punten 103‑105].

(…)
11. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat uit de in het arrest Adrar genoemde verwijzing naar de loyaliteitsplicht volgt dat er geen ex nunc beoordeling hoeft plaats te vinden volgt de rechtbank dit niet. Het arrest Adrar ziet op de verplichtingen van de bewaringsrechter bij het controleren of een eerder vastgesteld terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Het Hof heeft in dat kader gewezen op de verplichting van de derdelander om de bevoegde nationale autoriteit onverwijld in kennis te stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven. Deze verplichting ziet dus op ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na de vaststelling van het terugkeerbesluit en voordat de bewaringsmaatregel om dat terugkeerbesluit uit te voeren wordt opgelegd. In de onderhavige procedure is die situatie niet aan de orde. Verweerder heeft een terugkeerbesluit vastgesteld en een inreisverbod uitgevaardigd. Eiser stelt zich in wezen op het standpunt dat door het tijdsverloop tussen het moment dat hij beroep heeft ingesteld en de rechterlijke controle van dat beroep sprake is van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven. De rechtbank overweegt dat dit tijdverloop niet te wijten is aan eiser en verweerder. De rechtbank heeft overigens niet de indruk dat indien eiser verweerder onverwijld in kennis zou stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven, verweerder het uitvaardigen van het inreisverbod spontaan zou heroverwegen of de duur van het inreisverbod zou aanpassen vanwege deze ontwikkelingen. Verweerder stelt zich in deze procedure immers op het standpunt dat hij bij het uitvaardigen van het inreisverbod alle toen bekende relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en de rechtbank een ex tunc controle van dit inreisverbod moet verrichten.
12. De rechtbank zal dus een ex nunc controle verrichten van het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
13. Eiser heeft in beroep documenten aangedragen om te onderbouwen dat aan hem een afgeleid verblijfsrecht toekomt. Indien dit het geval is kan geen terugkeerbesluit worden vastgesteld en komt de grondslag aan het inreisverbod te ontvallen. Eiser heeft tevens op grond van zijn gestelde gezinsleven aangevoerd dat dit in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod.
14. Eiser heeft op 26 augustus 2024 verzocht om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ten tijde van de zitting in de onderhavige procedure op 23 oktober 2025 had verweerder nog niet beslist op deze aanvraag. Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank in staat is om op grond van de overgelegde stukken vast te stellen dat een hem een zogenoemde ‘Chavez-Vilchez-vergunning’ moet worden verleend en heeft de rechtbank ook verzocht om tot deze vaststelling over te gaan. De rechtbank heeft het evenwel noodzakelijk geacht om een tussenuitspraak te doen om partijen in de gelegenheid te stellen om zich schriftelijk nader uit te laten over een door de rechtbank opgeworpen rechtsvraag.
15. Verweerder heeft op 24 november 2025 beslist op de aanvraag van eiser om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en heeft deze aanvraag afgewezen. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit en in dit besluit wordt aan eiser medegedeeld dat het eerder uitgevaardigde inreisverbod van kracht blijft. Eiser stelt dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat deze beschikking mede samenhangt met de onderhavige procedure en stelt dat “de handelwijze van verweerder een ernstige aanwijzing van misbruik van recht is omdat verweerder met het nemen van de beslissing klaarblijkelijk enkel wenst te worden bereikt dat Uw rechtbank zo zich niet langer meer ex nunc over het inreisverbod zou kunnen uitlaten”. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft op 26 augustus 2024 verzocht om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beslist hier ruim een jaar later op. Dat verweerder een beslissing neemt volgt simpelweg uit zijn verplichting om op elke aanvraag om een verblijfsvergunning te beslissen. Dat verweerder daar ruim een jaar over doet is buitengewoon onwenselijk maar de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat het tijdverloop tussen de aanvraag en de beslissing is ingegeven door de onderhavige procedure en de tussenuitspraak van de rechtbank. Indien verweerder bovendien het moment van beslissen op die aanvraag ‘strategisch’ zou kiezen ligt het veel meer voor de hand om dat besluit te nemen na de einduitspraak van de rechtbank. Dan kan verweerder immers ongeacht de uitspraak van de rechtbank wederom een terugkeerbesluit vaststellen indien dat de uitkomst van zijn beoordeling is.
16. Omdat de rechtbank verplicht is om een ex nunc beoordeling te verrichten van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, dient de rechtbank in ogenschouw te nemen dat op 24 november 2025 wederom is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank overweegt voorts dat Albanië nog steeds terecht is aangemerkt als het derde land waar de terugkeerverplichting betrekking op heeft. In het besluit van 24 november 2025 waarbij de aanvraag om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER is afgewezen, is verweerder uitgebreid ingegaan op het door eiser gestelde familie- en gezinsleven en de door eiser overgelegde documenten om dit te onderbouwen. Eiser heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de beslissing van 24 november 2025 en heeft daarvoor argumenten aangedragen. De rechtbank gaat er van uit dat eiser een rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit ondanks dat dat niet is vermeld in de aanvullende gronden beroep na de tussenuitspraak. Doordat op 24 november 2025 wederom een terugkeerbesluit is vastgesteld en de rechtbank een ex nunc-beoordeling verricht, is het aan eiser om feiten en omstandigheden aan te dragen die wijzen op een wezenlijke verandering van zijn persoonlijke situatie die zich sinds de vaststelling van het -laatste- terugkeerbesluit hebben voorgedaan. Eiser heeft dit niet gedaan en heeft evenmin gevraagd om een nadere termijn om dit alsnog te doen. Dit geldt ook voor het inreisverbod. In het besluit van 24 november 2025 is inhoudelijk beoordeeld of artikel 8 van het EVRM in de weg staat aan de afwijzing van de aanvraag en is medegedeeld dat het inreisverbod blijft gelden. Dit is dus een inhoudelijke beoordeling. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden sinds deze inhoudelijke beoordeling.
17. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat bij de oplegging van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van het inreisverbod rekening is gehouden met alle feiten en omstandigheden die eiser destijds naar voren heeft gebracht. Voor zover eiser zich beroept op een wezenlijke wijziging van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het nemen van beide besluiten, overweegt de rechtbank dat deze feiten en omstandigheden zijn betrokken bij de beslissing op de aanvraag van eiser om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Die beslissing omvat ook een terugkeerbesluit en een inhoudelijke beoordeling van de vraag of het inreisverbod van toepassing kan blijven. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die zich hebben voorgedaan na die beslissing die op 24 november 2025 is genomen en kan, als van dergelijke feiten en omstandigheden sprake zou zijn, deze kenbaar maken in de procedure waarin hij opkomt tegen die beslissing. Op dit moment is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de rechtmatigheid van het in deze procedure te toetsen terugkeerbesluit en inreisverbod aantasten.
18. Uit het bovenstaande volgt dat beide beroepen ongegrond zijn. Het op 9 januari 2024 vastgestelde terugkeerbesluit is rechtmatig. De terugkeerverplichting herleeft dus, tenzij eiser beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en aan dat rechtsmiddel schorsende werking is toegekend. Het inreisverbod is ook rechtmatig opgelegd en treedt in werking op het moment dat aan de terugkeerverplichting ofwel door eiser, ofwel door verweerder, wordt voldaan. Omdat beide beroepen ongegrond zijn, zal de rechtbank geen proceskostenveroordeling uitspreken.
19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit ongegrond (NL24.3161);
-verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond (NL24.3173).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 januari 2026.
Rechtsmiddel
Tegen de tussenuitspraak en deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze einduitspraak bekend is gemaakt.