ECLI:NL:RBDHA:2026:4744
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij in Kroatië mishandeld was en vreest voor een onmenswaardige behandeling vanwege taalbarrières, vreemdelingenhaat en politieke tegenstand.
De rechtbank overwoog dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat Kroatië zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar, maar eiser slaagde er niet in met concrete en onderbouwde aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank nam het AIDA-rapport 2024 en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in aanmerking en concludeerde dat de problemen in Kroatië niet structureel en ernstig genoeg zijn om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook de mishandeling door de grenspolitie werd door de minister betwist en onvoldoende onderbouwd door eiser.
Verder wees de rechtbank erop dat het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023 inhoudt dat indirect refoulement binnen de Dublinprocedure niet getoetst kan worden, tenzij sprake is van systeemfouten, wat hier niet aannemelijk is gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.