ECLI:NL:RBDHA:2026:4785
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026.
In het huidige beroep betoogt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt door alleen schriftelijk contact te onderhouden en dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door schriftelijke rappellering bij de Marokkaanse autoriteiten en het voeren van een vertrekgesprek. Het ontbreken van een presentatie in persoon is niet aan te rekenen aan de minister, mede omdat eiser zelf door het gebruik van aliassen de procedure vertraagt.
Verder stelt de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Marokko. Het ontbreken van een afgegeven laissez-passer is onvoldoende om te concluderen dat uitzetting niet mogelijk is. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen gegeven dat het lp-traject zal mislukken en heeft onvoldoende medewerking verleend aan het verkrijgen van benodigde documenten.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.