ECLI:NL:RBDHA:2026:4792
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie
Eiser, afkomstig uit Iran, kreeg op 10 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie.
De rechtbank oordeelde dat gedwongen terugkeer naar Iran niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een geldig paspoort en de onmogelijkheid tot uitzetting naar India. De detentie was daarom niet langer gerechtvaardigd vanaf 22 januari 2026, het moment waarop de Iraanse nationaliteit van eiser vaststond.
Gezien de onzekere veiligheidssituatie in Iran en de onmogelijkheid tot tijdige afhandeling van de asielprocedure, werd de voortzetting van de detentie onrechtmatig geacht. De rechtbank beval de opheffing van de maatregel per 27 januari 2026 en kende een schadevergoeding van €600 toe voor zes dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden proceskosten van €1.868 toegewezen aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank hechtte het beroep toe, hief de vrijheidsontnemende maatregel op en kende een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige detentie.