ECLI:NL:RBDHA:2026:487
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na vrijwillig vertrek van asielzoeker
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen een verzoeker, die een asielaanvraag had ingediend, en de minister van Asiel en Migratie. De verzoeker had op 3 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Echter, op 18 augustus 2025 trok de verzoeker zijn beroep in en verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft besloten om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, omdat dit op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht niet nodig was.
De verzoeker had op 6 augustus 2025 een 'Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland' ondertekend, waarin hij instemde met het beëindigen van openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel. De rechtbank overwoog dat het procesbelang van de verzoeker was komen te vervallen door zijn eigen handelen, namelijk het vrijwillig vertrek uit Nederland. Hierdoor was er geen grond voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank concludeerde dat, zelfs als de verzoeker het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet had ingetrokken, hij geen belang meer had bij een beoordeling van dit beroep.
De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier, en is openbaar uitgesproken. Partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken na de uitspraak een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met de uitspraak.