ECLI:NL:RBDHA:2026:487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.29234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na vrijwillig vertrek van asielzoeker

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen een verzoeker, die een asielaanvraag had ingediend, en de minister van Asiel en Migratie. De verzoeker had op 3 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Echter, op 18 augustus 2025 trok de verzoeker zijn beroep in en verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft besloten om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, omdat dit op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht niet nodig was.

De verzoeker had op 6 augustus 2025 een 'Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland' ondertekend, waarin hij instemde met het beëindigen van openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel. De rechtbank overwoog dat het procesbelang van de verzoeker was komen te vervallen door zijn eigen handelen, namelijk het vrijwillig vertrek uit Nederland. Hierdoor was er geen grond voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank concludeerde dat, zelfs als de verzoeker het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet had ingetrokken, hij geen belang meer had bij een beoordeling van dit beroep.

De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier, en is openbaar uitgesproken. Partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken na de uitspraak een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29234

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Op 3 juli 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Bij bericht van 18 augustus 2025 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Verzoeker heeft op 6 augustus 2025 een ‘Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ ondertekend. In die verklaring staat onder andere het volgende:
Met de ondertekening van deze verklaring verklaar ik het volgende. Ik verlaat Nederland vrijwillig. Ik stem ermee in dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd en/of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken (procedures tegen terugkeerbesluit en inreisverbod vallen hier niet onder).
Voor zover verzoeker met de ondertekening van deze verklaring niet al het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, zou verzoeker geen belang meer bij een beoordeling van dit beroep hebben gehad als hij het niet op 18 augustus 2025 zou hebben ingetrokken. Verzoeker heeft namelijk ermee ingestemd dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Daarmee heeft hij ook te kennen gegeven geen belang meer te hebben bij een beslissing op zijn asielaanvraag. Dat betekent dat verzoeker ook geen belang meer zou hebben gehad bij de beoordeling van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op die asielaanvraag. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen zou om die reden niet-ontvankelijk zijn verklaard.
3. De reden voor het vervallen van het belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen zou in deze zaak zijn gelegen in het feit dat verzoeker vrijwillig uit Nederland is vertrokken en een verklaring heeft ondertekend waarmee hij heeft ingestemd dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. In die omstandigheden is geen grond gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3819). Dat op het moment van het instellen van het beroep de beslistermijn was verstreken en verzoeker toen nog geen instemmingsverklaring had ondertekend, maakt dit niet anders. Het procesbelang is namelijk daarna komen te vervallen door toedoen van verzoeker zelf.

Beslissing:

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.