ECLI:NL:RBDHA:2026:4905

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL25.26347
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 4 KwalificatierichtlijnArt. 64 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en onderbouwing

Eiser, van Iraanse nationaliteit, verzocht op 26 augustus 2022 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit verzoek op 19 mei 2025 af wegens onvoldoende onderbouwing van de asielmotieven, met uitzondering van identiteit, nationaliteit, herkomst en theïsme die als geloofwaardig werden beoordeeld.

Eiser stelde dat hij verkracht was en vreest juridische vervolging in Iran, maar kon dit niet met objectieve documenten onderbouwen. Ook zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen werden ongeloofwaardig geacht. De rechtbank oordeelde dat de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas integraal en individueel heeft beoordeeld volgens de Werkinstructie 2024/6, in lijn met het Unierecht.

Eiser voerde aan dat hij door trauma's niet coherent kon verklaren en dat de minister onterecht zijn verklaringen over de strafzaak ongeloofwaardig achtte. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat eiser geen deskundigenrapport overlegde en de minister de tegenstrijdigheden terecht aanvoerde.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning. Het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro leidt ertoe dat het terugkeerbesluit is komen te vervallen, maar dit verandert niets aan de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26347

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

van Iraanse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 19 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 11 juli, 17 juli en 31 oktober 2025 gronden ingediend.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Hangende de procedure heeft de minister met ingang van 10 november 2025 aan eiser uitstel van vertrek verleend op basis van artikel 64 van Pro de Vw. Van een terugkeerbesluit is dan geen sprake meer.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook was een tolk aanwezig. Ter zitting hebben partijen hun standpunten desgevraagd toegelicht, waarna de minister volgens een daar gemaakte afspraak ook een appelgeschrift, waarin zijn standpunt uitvoerig is onderbouwd, aan het dossier heeft toegevoegd.

Beoordeling beroep

Afwijzing verzoek om heropening
3. Na het sluiten van het onderzoek heeft eiser om heropening gevraagd. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. De door eiser gestelde activiteiten en de daarop gebaseerde vrees voor problemen bij terugkeer naar Iran vormen reeds voorwerp van geschil in de huidige procedure. De door eiser overgelegde stukken vormen in essentie een nadere onderbouwing van deze reeds aangevoerde stelling. Bovendien had eiser deze informatie, voor zover betrekking hebbend op de door hemzelf verrichte activiteiten, reeds eerder kunnen overleggen. De verklaring van familieleden is daarnaast geen objectieve en verifieerbare bevestiging van de gestelde negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten. Het door eiser aangehaalde rapport van Human Rights Watch ziet met name op het optreden van de Iraanse autoriteiten tegen demonstranten in Iran. Daarvan is in de situatie van eiser geen sprake. Reeds daarom kan deze algemene informatie niet leiden tot de conclusie dat het onderzoek moet worden heropend. Hetzelfde geldt voor de door eiser overgelegde e-mailwisseling van de door hem genoemde expert, waarin is gesteld dat personen die vanuit het buitenland naar Iran terugkeren scherper worden ondervraagd. Nog daargelaten dat deze informatie een algemene duiding van de situatie in Iran betreft en niet specifiek op eiser ziet, stelt de rechtbank vast dat het terugkeerbesluit door de minister is ingetrokken vanwege het aan eiser verleende uitstel van vertrek. Van een daadwerkelijke terugkeer naar Iran als gevolg van het bestreden besluit is daarom thans geen sprake.
Voor zover eiser meent dat deze gestelde nieuwe feiten en omstandigheden aanleiding geven om zijn asielaanvraag opnieuw te beoordelen, staat het hem vrij deze naar voren te brengen in het kader van een mogelijke nieuwe opvolgende asielaanvraag. Daarnaast gaat de rechtbank er van uit dat eisers stellingen door de minister worden betrokken bij een eventueel in de toekomst nog te nemen terugkeerbesluit.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat zijn familie religieus is, maar niet fanatiek. Dat heeft te maken met zijn etniciteit, [etniciteit] . Eiser verklaart dat hij altijd in één God heeft geloofd, maar zichzelf nooit als moslim te hebben gezien en daarom in Iran niet binnen de kaders van de islam te hebben geleefd. Eiser heeft verklaard dat hij in [jaartal] of [jaartal] tijdens zijn werk seksueel geweld heeft ondervonden. Hij is verkracht door een voormalige collega, [naam collega] (hierna: [naam collega] ), in een werkplaats in [plaats] . Drie jaren later hebben de broers van eiser deze collega daar opgezocht en hebben zij hem mishandeld. Eiser heeft daarna berichten gestuurd naar die collega, waarin hij heeft aangegeven dat dit zijn straf is geweest voor wat hij eiser heeft aangedaan. De voormalige collega heeft aangifte tegen eiser gedaan, waarna eiser Iran heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor de juridische gevolgen en voor deze collega. Eiser heeft ook verklaard dat hij bekeerd is tot het christendom. Hij staat in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit, herkomst;
  • theïsme;
  • de juridische vervolging vanwege de problemen met [naam collega] ;
  • bekering tot het christendom en de daaruit volgende problemen.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst en het theïsme geloofwaardig zijn. De geloofwaardige asielmotieven leiden niet tot de conclusie dat eiser een vluchteling is of dat hij recht heeft op subsidiaire bescherming. De andere asielmotieven zijn ongeloofwaardig geacht. De minister acht de verkrachting geloofwaardig, maar gelooft niet dat eiser juridisch zal worden vervolgd in Iran. Eiser heeft zijn verklaringen over de juridische vervolging en de daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft niet voldaan aan zijn inspanningsplicht op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, Vw en hij heeft daarvoor ook geen goede verklaring. De minister heeft vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft eiser, volgens de minister, niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen over de bekering en daaruit voortvloeiende problemen heeft eiser ook niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook is vervolgens beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is, maar er wordt niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. De verklaringen van eiser daarover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
De geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van Werkinstructie (WI) 2024/6
6. Eiser stelt, mede onder verwijzing naar zijn eerder ingediende zienswijze, dat er nieuw beleid geldt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. [2] Eiser meent in dit verband dat in het verleden artikel 31, zesde lid Vw [3] niet als een checklist werd gezien, maar als een kader waarbinnen na een integrale beoordeling toch het voordeel van de twijfel kon worden gegeven. Eiser stelt dat in zijn zaak ten onrechte het ontbreken van stukken over de strafzaak in Iran tot een cruciaal punt is gemaakt, zonder hem het voordeel van de twijfel te geven op basis van en in samenhang met zijn verdere verklaringen. Dit wijkt af van de eerdere lijn en is in strijd met het Unierecht, waarvan met name artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, met het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Hij wijst op het arrest X tegen Ierland. Hij noemt daarbij uitspraken die zijn standpunt bevestigen, waaronder ook van de zittingsplaats Groningen. Ook benoemt hij kritiek van Vluchtelingenwerk. [4]
6.1.
De minister heeft de vanaf 1 juli 2024 geldende WI 2024/6 toegepast. WI 2014/10 is ingetrokken. Volgens de minister gaat het een verduidelijking van de wijze waarop hij de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Het betreft een uitwerking van artikel 31 van Pro de Vw, dat (per 1 juli 2015) de implementatie is van artikel 4 van Pro de Kwalificatie richtlijn, en neergelegd in paragraaf C1/4 van de Vc. [5] Volgens de minister is zijn werkwijze in lijn met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Ter zitting is dit standpunt nader toegelicht, waarbij tevens is verwezen naar het inmiddels tot het dossier behorende Hoger beroepschrift d.d. 15-8-2025 (in NL25.4375), waarin dit standpunt uitgebreid is weergegeven.
6.2.
De rechtbank stelt vast, dat partijen hun standpunten hebben onderbouwd door te verwijzen naar jurisprudentie, waaronder van de zittingsplaats Groningen. Duidelijk is dat die jurisprudentie van elkaar verschilt. Dat geldt, zo stelt de rechtbank vast, ook voor gepubliceerde uitspraken van deze zittingsplaats.
6.3.
Ter zake van toetsingskader zoals neergelegd in WI 2024/6 in asielzaken overweegt de rechtbank het volgende. De beoordeling door de minister vindt plaats in 2 stappen. In stap 1 worden de feiten en omstandigheden geïdentificeerd en wordt het asielrelaas vastgesteld. In deze fase geldt tussen de vreemdeling en de minister een samenwerkingsverplichting. Dit houdt in dat het aan de vreemdeling is om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen. De minister moet vervolgens, indien de door de vreemdeling aangevoerde elementen om welke reden dan ook niet volledig, actueel of relevant zijn, actief met de vreemdeling samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven.
In stap 2 wordt de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeeld. Daarbij beoordeelt de minister eerst of het asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve documenten (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten, wordt een (geloofwaardigheids)toets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Bij de toepassing van deze stap 2b toetst de minister aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid van de Vw die een implementatie zijn van de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling niet voldoet aan 1 of meerdere van de vijf voorwaarden, concludeert de minister tot ongeloofwaardigheid van het asielmotief. De minister heeft uiteengezet dat zijn werkwijze in lijn is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Volgens eiser is de werkwijze van de minister, die uitgaat van een rechtstreeks verband tussen het voldoen aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw en de conclusie over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, niet in overeenstemming met het Unierecht. Eiser meent dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister moet duidelijk maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden wel en niet is voldaan. Er dient een integrale beoordeling van het asielrelaas te worden verricht.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het asielrelaas van eiser is beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt dat de minister niet uitsluitend een checklist-benadering heeft gevolgd. De minister heeft, aan de hand van WI 2024/6, eerst de asielmotieven vastgesteld en beoordeeld in welke mate deze door documenten zijn gestaafd (stap 2a). Volgens de minister moet de vreemdeling elk van deze motieven voldoende met bewijsmateriaal onderbouwen. Dat is een correct standpunt volgens de rechtbank, gelet op artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn, nu ook duidelijk is dat zowel objectieve bewijstukken als andere bewijsmiddelen bij de beoordeling als bedoeld in stap 2a worden betrokken. Eiser heeft, zo stelt de rechtbank vast, ten tijde van zijn asielverzoek geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Daarop heeft de beoordeling volgens stap 2b plaatsgevonden. Die stap houdt volgens de Werkinstructie in dat het asielmotief geloofwaardig wordt bevonden als aan de cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Bij die stap heeft de vreemdeling die niet in staat is om zijn asielrelaas met bewijsmateriaal te onderbouwen, de mogelijkheid om zijn asielmotieven op andere wijze aannemelijk te maken. Ter zitting is toegelicht en benadrukt dat na de vaststelling aan welke van de voorwaarden niet wordt voldaan, vervolgens een integrale individuele beoordeling plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat in WI 2024/6 uitdrukkelijk is vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken, terwijl ook wordt bekeken of het redelijk is het niet voldoen aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid Vw tegen te werpen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat meergenoemde geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht. Voor zover eiser heeft willen stellen dat niet blijkt hoe de minister bij de beoordeling van voorwaarde c de geloofwaardigheid in zijn geheel heeft beoordeeld en welke invloed alle naar voren gebrachte feiten en omstandigheden daarbij hebben gehad en niet alleen heeft nagelaten om duidelijk te maken of en aan welke van de overige voorwaarden is wel voldaan, maar ook heeft nagelaten duidelijk te maken of er niet aan is voldaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek, deelt de rechtbank dit standpunt niet. Allereerst blijkt uit het bestreden besluit, waarin een individuele beoordeling is neergelegd, aan welke voorwaarden niet is voldaan. Het ligt voor de hand dat de voorwaarden waaraan wel is voldaan niet zijn tegengeworpen. De minister heeft dit ook uitdrukkelijk bevestigd. Benadrukt is ook dat de overige gegeven verklaringen zijn betrokken bij de beoordeling van de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas. In dat licht is een eis om nog een beoordeling van de vijf voorwaarden “onder de streep” naar het geheel van alle feiten en omstandigheden te maken niet zinvol.
Individuele casus
7. De minister heeft vastgesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Vervolgens zijn de overige verklaringen betrokken bij de beoordeling. Ten aanzien van met name asielmotief 3 (juridische vervolging naar aanleiding van problemen met [naam collega] ) heeft de minister uitgebreid stilgestaan bij de (on)mogelijkheid voor eiser om stukken uit het [systeem] -systeem te verkrijgen, bij de later, in beroep, overgelegde dagvaarding en de betekenis daarvan en heeft hij afdoende gemotiveerd aangegeven waarom hij van mening is dat eiser redelijkerwijs over meer en originele documentatie had kunnen beschikken met betrekking tot de strafzaak. Daarmee is niet volstaan met de constatering dat documenten ontbreken, maar is ook eisers standpunt, dat het onredelijk zou zijn om te verlangen dat eiser een Iraanse advocaat benadert om documenten van de strafrechtelijke procedure te overleggen, beoordeeld.
7.1.
De minister heeft vervolgens het asielrelaas inhoudelijk beoordeeld in stap 2b van de WI 2024/6. Daarbij heeft de minister voor asielmotief 3 en 4 (bekering tot het christendom en daaruit voortvloeiende problemen) de verklaringen van eiser (onder andere over de gestelde strafvervolging, gang van zaken rondom de dagvaarding en het woonadres, de tijdslijn van het incident en de latere mishandeling, de inhoud en betekenis van de online lessen en kerkdiensten, zijn geloofsbeleving, de brieven van de pastoor, de gestelde huiszoeking en sociale media activiteiten en de nadien in beroep ingebrachte sociale media stukken) beoordeeld en heeft hij aan het einde van deze beoordeling eisers verklaringen op de verschillende elementen kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen en op die basis de conclusie getrokken dat deze relevante asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze werkwijze in eisers concrete geval wel een integrale beoordeling van het asielrelaas verricht.
Is eiser niet in staat geweest om coherent te verklaren vanwege trauma’s?
8. Eiser stelt dat hij vanwege psychische klachten en trauma’s niet in staat was om consistent en coherent te verklaren en wijst naar een brief van 8 juli 2025 van GZA Healthcare en een brief van 18 augustus 2025 van Kleur GGZ.
8.1.
Deze beroepsgrond kan niet slagen. Uit het medisch advies van Medifirst [6] volgt dat eiser gehoord kan worden, maar wel met de kanttekening dat sprake is van beperkte concentratie. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit de gehoren blijkt dat hiermee afdoende rekening is gehouden. Daartoe heeft de minister van belang kunnen vinden dat uit de onder 7. overgelegde medische informatie niet uit blijkt dat eiser ten tijde van de gehoren niet coherent kon verklaren. Eiser heeft bovendien geen deskundigenrapport overgelegd waaruit dit blijkt. Daarom heeft de minister de tegenstrijdigheden terecht aan eiser tegengeworpen.
Heeft de minister de juridische vervolging vanwege de problemen met Hossein ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
9. Eiser stelt dat de minister zijn verklaringen over de gestelde strafzaak ten onrechte ongeloofwaardig vindt en dat van hem in redelijkheid niet verlangd kan worden om documenten uit Iran te verkrijgen. Eiser voert ook aan dat hij via zijn broer alsnog een dagvaarding heeft verkregen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk wordt vervolgd.
9.1.
Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat eiser redelijkerwijs wel over stukken van de gestelde strafzaak kan beschikken, gelet op het bestaan van het [systeem] -systeem, waar familieleden met gebruikersnaam en wachtwoord kunnen inloggen. [7] Dat eiser in beroep zelf verklaart over inloggegevens te beschikken, onderstreept dit. De minister heeft ook afdoende gemotiveerd dat de dagvaarding geen origineel document is waardoor het niet op echtheid onderzocht kan worden. Bovendien heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat dit document niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van dit asielmotief 3 nu het niet overeenkomt met eisers verklaringen over onder andere de datum van opmaak. Het document is opgemaakt op 17 mei 2024. De minister stelt terecht dat dit document, vanwege de datering, niet de dagvaarding kan zijn waarover eiser tijdens zijn gehoor over heeft verklaard, nu hij immers verklaart dat hij de eerdere dagvaarding heeft ontvangen toen hij nog in Iran verbleef en dat deze vervolgens door zijn vader is verscheurd. [8] Ter zitting heeft eiser dit punt ook niet deugdelijk weerlegd maar heeft volstaan met de herhaling van zijn eerdere verklaring dat zijn vader de oorspronkelijke dagvaarding heeft verscheurd zonder toe te lichten hoe de nu in beroep overgelegde dagvaarding zich inhoudelijk verhoudt tot die eerdere, vernietigde dagvaarding. Verder heeft de minister terecht gewezen op inhoudelijke inconsistenties. Zo vermeldt de dagvaarding dat eiser moet verschijnen voor de onderzoeksafdeling van de revolutionaire rechtbank, terwijl, zoals in het bestreden besluit is gemotiveerd, de feiten die eiser aan zijn relaas ten grondslag legt, niet onder de competentie van deze rechtbank vallen. Ook dit standpunt van de minister is niet deugdelijk weerlegd door eiser. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat de dagvaarding eisers tegenstrijdige verklaringen omtrent zijn woonadres niet wegneemt, nu een adres ontbreekt, zodat eisers stelling dat de dagvaarding op het adres van de ouders is bezorgd dan wel dat uit de dagvaarding zou blijken dat zijn laatste woonplaats in Lali zou zijn, terecht niet gevolgd is. De minister heeft daarom terecht gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, Vw.
Heeft eiser onlogisch verklaard over de tijdslijn van het incident en de daaropvolgende mishandeling?
10. Eiser stelt dat zijn verklaring dat [naam collega] drie jaar niet gevonden kon worden voldoende begrijpelijk is.
10.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. De minister heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat de verklaring onlogisch is, omdat eiser zelf heeft verklaard dat [plaats] een kleine stad is waar iedereen elkaar kent en dat [naam collega] een bekende crimineel is. Dat [naam collega] niet eerder gevonden kon worden, omdat hij zijn telefoon zou hebben uitgezet, heeft de minister dan ook onvoldoende mogen vinden.
Heeft eiser tegenstrijdig en summier verklaard over juridische procedures?
11. Eiser voert aan dat hij enkel heeft willen nuanceren dat hij weinig kennis heeft van juridische procedures. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gewezen op innerlijke tegenstrijdigheden in eisers verklaringen over de mogelijkheden van aangifte en zijn kennis van juridische regels en dat zijn verklaringen op dit punt tegenstrijdig en summier zijn. Zo verklaart hij enerzijds dat het nemen van juridische stappen niet mogelijk was na de verkrachting omdat er geen getuigen aanwezig waren en er, gelet op de islamitische wetgeving, twee getuigen nodig zijn. [9] Anderzijds verklaart eiser dat hij niet bekend is met de juridische procedures in Iran en daarom geen documenten kon opsturen [10] . De minister stelt ook terecht dat eiser met zijn verklaring, dat het te slecht met hem ging om een beslissing te nemen, op de vraag waarom hij geen onderzoek heeft gedaan naar de juridische mogelijkheden daarvoor, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij deze mogelijkheden niet nader heeft onderzocht en waarom hij geen procedure is opgestart. De minister heeft op dit punt uitgebreidere verklaringen van eiser mogen verwachten nu dit de kern van zijn relaas betreft.
Heeft eiser vrees voor vervolging vanwege posts op sociale media aannemelijk gemaakt?
12. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft omdat hij religieuze en politieke uitingen heeft geplaatst en dat Iran zijn online activiteiten monitort. Hij heeft daartoe diverse screenshots en berichten overgelegd.
12.1.
Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. In de eerste plaats stelt de minister terecht dat eiser pas in beroep voor het eerst kenbaar maakt dat hij politiek getinte berichten heeft geplaatst op sociale media. De rechtbank is in navolging van de minister van oordeel dat eisers stelling dat hij online politiek getinte uitingen heeft verricht, op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. De minister heeft dit daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
12.2.
De minister heeft verder afdoende en deugdelijk gemotiveerd dat de door eiser in beroep overgelegde documenten [11] niet herleidbaar zijn tot de Iraanse autoriteiten, dat zij niet gedateerd zijn en dat de inhoud in sommige gevallen niet logisch is. Zo wordt bijvoorbeeld in één bericht een melding gemaakt van een sms-bericht, terwijl het bericht via Instagram ontvangen zou zijn. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde bedreigers officiële accounts betreffen en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de Iraanse autoriteiten daadwerkelijk bekend zijn met de online uitingen. De overgelegde stukken over de gestelde problemen met zijn familie heeft de minister evenmin overtuigend mogen vinden, omdat daarin vermelde personen niet overeenkomen met eerder geverifieerde informatie door Bureau Documenten en de vermeldingen ook niet overeenkomen met eerder aangedragen informatie. De minister concludeert daarom terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn online activiteiten in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat.
12.3.
Eiser heeft ook gesteld dat de huiszoeking door de Iraanse autoriteiten ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Hij stelt dat hij daarover geen aanvullende informatie kon geven en dat het ontbreken van bericht op sociale media hem niet mag worden tegengeworpen. In beroep is nog een schermprint overgelegd van een gesprek met de nicht van eiser waaruit volgens eiser blijkt dat de huiszoeking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
12.4.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit reeds is erkend dat niet geheel duidelijk was welke aanvullende informatie van eiser werd verwacht met betrekking tot de huiszoeking, maar dat neemt niet weg dat de minister de gestelde huiszoeking niet ten onrechte onvoldoende aannemelijk heeft kunnen vinden. De schermprint brengt hierin geen verandering, nu, zoals door de minister terecht is gesteld, de identiteit van de afzender niet is geverifieerd, terwijl eiser tijdens de gehoren juist heeft verklaard dat hij uitsluitend via zijn broer en vrienden van de huiszoeking op de hoogte is geraakt en niet via een nichtje [12] . Daarnaast heeft de minister erop kunnen wijzen dat de datum-tijdsaanduiding in de schermprint (‘today 1:16 AM” en “today 10:50 AM”) niet te rijmen is met de stelling dat deze berichten in het verleden zijn verstuurd.
Bekering tot het christendom
13. Eiser stelt dat hij voldoende heeft verklaard over zijn bekering en dat de minister meer of anders had moeten doorvragen. Ook stelt eiser dat zijn kennis van het christendom voldoende is en dat de brieven van pastoor [naam pastoor] meer gewicht had moeten krijgen.
13.1.
Deze beroepsgrond kan niet slagen. De minister heeft zowel in het nader gehoor en in het aanvullend gehoor afdoende gerichte vragen gesteld over de inhoud en het volgen [13] van online lessen, en over de persoonlijke betekenis van het christendom. De minister stelt terecht dat eiser daarbij in algemene termen bleef verklaren, zonder concreet te maken wat hem persoonlijk heeft geraakt in het christendom. De minister mocht, gelet op eisers verklaringen dat hij twee keer per week bijbellessen volgde en elke week de kerk bezocht, meer kennis verwachten. De minister heeft ook niet ten onrechte geringe waarde toegekend aan de brieven van de pastoor, nu deze vooral gebaseerd zijn op eisers eigen verklaringen. De bekering tot het christendom is daarom terecht ongeloofwaardig geacht.
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van de minister over de geloofwaardigheid niet alleen is gebaseerd op de toets aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister heeft in deze zaak het asielrelaas van eiser afdoende (integraal) en individueel beoordeeld en heeft ook afdoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet het voordeel van de twijfel krijgt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro en het vervallen van het terugkeerbesluit
15. Eiser heeft gesteld dat hij medische problemen heeft en dat de minister dit onvoldoende heeft betrokken. In beroep zijn aanvullende medische stukken overgelegd.
15.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op 10 november 2025 een aanvullend besluit heeft genomen waarin aan eiser voorlopig uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 Vw Pro, geldend van 10 november 2025 tot 10 mei 2026, in afwachting van de definitieve ambtshalve beoordeling. De beroepsgronden van eiser op dit onderdeel behoeven daarom geen inhoudelijke bespreking meer.
15.2.
Het aanvullend besluit van 10 november 2025 vermeldt dat, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit is overwogen, er geen terugkeerbesluit genomen mag worden vanwege het (voorlopig) verleende uitstel van vertrek. Ter zitting heeft eiser terecht erop gewezen dat dit niet is vermeld bij de gevolgen van het aanvullend besluit, onder alinea drie. Ter zitting heeft de minister daarop verklaard dat, vanwege inmiddels verleende uitstel van vertrek, het terugkeerbesluit, zoals opgenomen in het thans bestreden besluit, wordt ingetrokken en daarmee komt te vervallen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 4 wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.WBV 2024/12.
3.Identiek aan artikel vier, vijfde lid van richtlijn 2011/95.
4.Update 2024/27.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Van 13 april 2023.
7.Zie Algemeen Ambtsbericht Iran, 2023, bld 98.
8.Zie bld. 20 nader gehoor.
9.Zie bld. 4 nader gehoor.
10.Bld. 20 nader gehoor.
11.Overgelegd op 31 oktober 2025, en op 6 november 2025.
12.Zie bld. 10 van het aanvullend gehoor.
13.Zie bld.10 van het nader gehoor en bld. 16 van het aanvullend gehoor.