ECLI:NL:RBDHA:2026:491

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL24.47985
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning zelfstandige

Verzoeker diende op 24 oktober 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af bij besluit van 28 november 2024. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde de afwijzing bij besluit van 12 juni 2025.

Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank. Tegelijkertijd vroeg verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 15 december 2025.

Op 13 januari 2026 deed de rechtbank uitspraak op het beroep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47985

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2024 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep [1] ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, mr. N. Imminga, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met zaaknummer NL25.29178.