ECLI:NL:RBDHA:2026:491
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige
In deze zaak heeft verzoeker op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen met een besluit van 28 november 2024. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 12 juni 2025 heeft de minister het bezwaar afgewezen, waardoor verzoeker in beroep is gegaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan hangende dit beroep.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 behandeld, waarbij zowel verzoeker als de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan op het beroep, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening is komen te vervallen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van griffier N. Walstra, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.