Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 10 februari 2025 een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 17 februari 2025 af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over het vertrek voor het verstrijken van het visum.
Eiser stelde dat hij niet in staat was de gevraagde bewijsstukken te overleggen en dat hij gehoord had moeten worden om onduidelijkheden te verduidelijken. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende gelegenheid had geboden om bewijs aan te leveren, onder meer via een vragenlijst en een e-mailverzoek, maar dat eiser geen bewijsstukken had overgelegd die de relatie met de referent konden aantonen.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat er geen reden was om eiser te horen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd definitief toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.