ECLI:NL:RBDHA:2026:4954

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/09/689557 / HA ZA 25-683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:178 lid 1 BWArt. 3:182 BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verdeling wegens reeds overeengekomen verdeling tussen partijen

Partijen zijn in 2020 een samenwerking gestart voor aankoop, verbouwing en verkoop of verhuur van meerdere panden in Den Haag, waarbij zij elk de helft van de aandelen bezitten. Er ontstond een geschil over de verdeling van de verkoopprijs van een pand en de verdeling van de overige panden die nog gezamenlijk eigendom zijn.

De rechtbank oordeelt dat partijen reeds een overeenkomst tot verdeling hebben gesloten, zoals blijkt uit e-mailcorrespondentie en communicatie via een makelaar. Hoewel partijen geen afspraken maakten over de financiële afwikkeling van ieders inbreng, is dit geen essentieel onderdeel van de verdelingsovereenkomst.

De rechtbank stelt vast dat tussentijdse contante betalingen tussen partijen hebben plaatsgevonden, waardoor de inbreng van partijen in de panden aan de [adres 1] en [adres 2] gelijk is geweest. Daarom kan eiser slechts aanspraak maken op de helft van het depotbedrag dat bij de notaris is gestort.

De vordering tot betaling van het restantbedrag wordt afgewezen, evenals de overige vorderingen die samenhangen met de verdeling. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verdeling af omdat partijen reeds een verdelingsovereenkomst hebben gesloten en veroordeelt gedaagde tot medewerking aan overboeking van de helft van het depotbedrag aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/689557 / HA ZA 25-683
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Smael.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025, met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;
- het tussenvonnis van 19 november 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de spreekaantekeningen tevens akte vermeerdering van eis van [eiser] ;
- de aanvullende producties 11 en 12 van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is werkzaam in de bouw. [gedaagde] heeft professionele ervaring met het financieren van vastgoed. In 2020 zijn partijen een samenwerking gestart, waarbij zij gezamenlijk panden hebben aangekocht om te verbouwen en vervolgens te verkopen of verhuren. In dit kader hebben partijen gezamenlijk panden aangekocht op de volgende adressen in Den Haag:
[adres 1]
[adres 2]
[adres 3]
[adres 4]
[adres 5]
[adres 6]
[adres 7]
[adres 8]
[adres 9]
[adres 10]
2.2.
Partijen hebben beiden steeds de helft van het aandeel in de panden verkregen.
2.3.
De panden aan de [adres 1] en [adres 2] (onder a en b) hebben partijen na aankoop geleverd gekregen (zo begrijpt de rechtbank) in september 2020 en na verkoop weer geleverd aan derden in respectievelijk november 2021 en december 2022. Ten aanzien van het pand aan de [adres 2] is tussen partijen een geschil ontstaan over de verdeling van de verkoopprijs van € 350.000. [eiser] heeft bij de notaris van het kantoor Buren N.V. (hierna: de notaris) conservatoir derdenbeslag laten leggen op het aan partijen (na aftrek van (onder meer) de hypothecaire schuld en notariële kosten) toekomende gedeelte van de koopsom van € 159.041,37 tot een bedrag van € 155.223. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat de partijen toekomende koopsom bij de notaris in depot zal blijven totdat partijen de notaris gezamenlijk anders berichten of in eerste aanleg een veroordelend vonnis is gewezen dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2.4.
De overige panden (onder c tot en met j) zijn tot op heden nog gezamenlijk eigendom van partijen en worden verhuurd. Op 1 juni 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] een voorstel gestuurd tot verdeling van deze panden. Deze e-mail luidt als volgt:
“Zoals beloofd, stuur ik je hiermee een voorstel, van een naar mijn idee eerlijke verdeling van de reeds gezamenlijk verhuurde appartementen.
De appartementen zijn;
- gelijk in WOZ
- gelijk in m2 (BAG)
- allebei krijgen 2 tweede etage appartementen
- allebei krijgen 2 eerste etage appartementen
- allebei 1 appartement in Leyenburg
- allebei 1 appartement in Laakkwartier
Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar portefeuille A maar ook portefeuille B is ook prima voor mij akkoord.
Mocht blijken dat jij niet geïnteresseerd bent in één van bijgesloten portefeuilles,
dan wil ik je vragen of jij zelf een nieuw voorstel wil maken waarbij ik dan de keuze heb,
waar mijn voorkeur naar uitgaat.
Ik zie je reactie graag tegemoet.”
2.5.
[gedaagde] heeft hier op 2 juni 2022 als volgt op gereageerd:
“Ik heb de portefeuilles gezien en mijn voorkeur gaat uit naar portefeuille 1:
  • [adres 9]
  • [adres 7]
  • [adres 3]
  • [adres 8]
Graag zou ik duidelijkheid op onderstaande punten wensen:
  • Wat is de volgende stap om tot een verdeling te komen van de portefeuilles. en binnen wat voor termijn zal dit geregeld moeten zijn
  • Welke makelaar je keuze naar uit gaat betreft verkoop [adres 2] .
  • Per wanneer geven we opdracht aan [naam 1] om de panden spoedig te taxeren?
  • De en of rekening (SNS Bank) moet opgezegd worden en de saldo moet verdeeld worden.
  • Welke notaris het gaat worden?
  • Wie begeleid de mutatie bij afdeling beheer van RNHB, is dat de notaris of moet er een adviseur aan te pas komen?
  • Ik wens de huurovereenkomst ( [adres 7] ) te ontvangen van de portefeuille die ik zal overnemen”
2.6.
Op 22 september 2022 heeft de makelaar de heer [naam 2] namens [eiser] aan [gedaagde] vervolgens nog de volgende e-mail gestuurd:
“Excuses voor de vertraagde reactie maar hierbij kan ik namens [eiser] akkoord geven oude uitgevoerde taxaties in verhuurde staat.
Wij zullen de notaris hier ook over inlichten zodat ook zij hun dossier kunnen gaan voorbereiden.
Ik zal de notaris ook vragen of zij een verzoek kunnen doen bij de belastingdienst voor vrijstelling van de overdrachtsbelasting gezien het een verdeling van een portefeuille betreft.
Dan betaal je alleen overdrachtsbelasting over dat deel waarvan oververdeling sprake is. Dat scheelt aanzienlijk in de kosten.”
2.7.
Vervolgens zijn partijen in discussie geraakt over de financiële afwikkeling van de verdeling. Op enig moment heeft [eiser] zich namelijk op het standpunt gesteld dat hij meer heeft ingebracht dan [gedaagde] door gedurende de jaren ten aanzien van de panden meer kosten te dragen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na eisvermeerdering – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. [gedaagde] veroordeelt i) binnen tien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de overboeking van het ten gunste van hem en [eiser] door de notaris gehouden bedrag, zulks op straffe van een direct opeisbare boete van € 1.000 voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft en ii) te betalen het restant van € 12.249,45, te vermeerderen met rente vanaf de datum van dit vonnis;
II. de verdeling van de panden als volgt vaststelt:
a. [eiser] krijgt toegedeeld, onder de voorwaarde dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de panden met de volgende adressen:
i. [adres 3]
ii. [adres 5]
iii. [adres 9]
iv. [adres 10]
b. [gedaagde] krijgt toegedeeld, onder de voorwaarde dat [eiser] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de panden met de volgende adressen:
i. [adres 4]
ii. [adres 6]
iii. [adres 7]
iv. [adres 8]
III. bepaalt, als notaris voor de levering in verband met de verdeling, een notaris van het kantoor Buren N.V. te Den Haag;
IV. bepaalt dat [eiser] in verband met de verdeling, na verrekening van een vordering van [gedaagde] van € 35.663,72 vanwege onderbedeling, een vordering op [gedaagde] heeft van € 80.372,60, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van dit bedrag binnen dertig dagen na eerste aanschrijving, en bij gebreke daarvan [gedaagde] veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van de [adres 8] dan wel de [adres 4] en deze vordering uit de verkoopopbrengst te voldoen, met toepassing van het hierna bepaalde;
V. bepaalt dat als [gedaagde] er niet binnen vier maanden na dit vonnis in slaagt om te voldoen aan de voorwaarde dat [eiser] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van alle aan [gedaagde] toegedeelde panden, deze te koop worden aangeboden, waartoe partijen binnen twee weken na afloop gezamenlijk een opdracht tot verkoop dienen te verstrekken aan een NVM- of VBO-makelaar, waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs zal bepalen en gerechtigd is maximaal 1,25% courtage te bedingen, exclusief de overige marktconform in rekening te brengen verkoopkosten, waaronder de opstartkosten tot maximaal
€ 750 exclusief btw per pand, waarbij het overschot toekomt aan [gedaagde] ;
VI. bepaalt dat bij ontstentenis of weigering van de opdracht door de makelaar (onder de aangegeven condities), [eiser] bevoegd is om een andere NVM- of VBO-makelaar aan te wijzen (onder de aangegeven condities), waarbij die andere makelaar ter zake de hiervoor genoemde handelingen en bevoegdheden in de plaats treedt van de aangewezen makelaar;
VII. bepaalt dat wanneer een of meer van de aan [gedaagde] toegedeelde panden niet binnen vier maanden na publicatie zijn verkocht, de makelaar gerechtigd is de vraagprijs ervan een of meerdere malen te verlagen, waarbij de vraagprijs bij iedere prijsverlaging in overeenstemming dient te zijn met de reële marktwaarde van het pand op het betreffende moment, een en ander naar het oordeel van de makelaar;
VIII. [gedaagde] veroordeelt om vervolgens mee te werken aan het ondertekenen van de verkoopovereenkomsten van de aan hem toegedeelde panden, opgesteld door de makelaar, waarin de verkoopprijs door de makelaar is vastgesteld, zulks binnen drie dagen nadat de koopovereenkomst(en) aan [gedaagde] ter beschikking is/zijn gesteld, op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor elke dag daarna en voor elk geval dat de overeenkomst(en) niet ondertekend aan de makelaar ter beschikking is/zijn gesteld, alsmede [eiser] te machtigen om na het verstrijken van een aansluitende termijn van tien dagen, namens [gedaagde] de verkoopovereenkomst(en) te ondertekenen;
IX. [gedaagde] veroordeelt om binnen één week nadat de notaris aan [gedaagde] conceptakten heeft verstrekt, de volmacht(en) te ondertekenen en ter beschikking te stellen, zodat de panden met gebruikmaking van die volmacht(en) kunnen worden geleverd op de in de overeenkomst(en) bepaalde leveringsdatum(s), alsmede bepaalt dat zodra de hiervoor verzochte termijn van één week tot medewerking is verstreken zonder dat hieraan door [gedaagde] is voldaan, dit vonnis in de plaats treedt van de voor het opmaken van die akte(n) vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van [gedaagde] ;
X. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis en de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Ten aanzien van de [adres 1] en de [adres 2] heeft [eiser] een bedrag van € 171.290,82 meer ingebracht dan [gedaagde] , zodat hij uit dien hoofde aanspraak kan maken op het bedrag in depot van € 159.041,37 en een restantvordering heeft op [gedaagde] van € 12.249,45. Met betrekking tot de overige panden bestaan tussen partijen nog steeds eenvoudige gemeenschappen waarvan hij als deelgenoot verdeling kan vorderen. Hij wenst in dit kader bepaalde panden toegedeeld te krijgen, hetgeen leidt tot een overbedeling van [eiser] van € 35.663,72. Rekening houdend met het feit dat hij ten aanzien van de panden in totaal € 393.114 meer heeft ingebracht dan [gedaagde] , heeft hij na de verdeling nog een vordering op [gedaagde] van
€ 80.372,60.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vaststellen verdeling
4.1.
De rechtbank zal eerst de vordering van [eiser] tot verdeling behandelen met betrekking tot de panden die partijen nog steeds samen in eigendom hebben (zie hiervoor onder 2.1, sub c t/m j). Vast staat dat beide partijen bij de aankoop van deze panden voor de onverdeelde helft eigenaar van deze panden zijn geworden (en nog steeds zijn). Daarmee zijn tussen hen gemeenschappen ontstaan, waarvan elke deelgenoot in beginsel ten alle tijden verdeling kan vorderen (artikel 3:166 in Pro samenhang met artikel 3:178 lid 1 BW Pro).
4.2.
[eiser] heeft in zijn vordering tot verdeling aangegeven welke panden hij toegedeeld wenst te krijgen. [gedaagde] verzet zich hiertegen. Volgens hem hebben partijen reeds overeenstemming bereikt over de verdeling van de panden. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat voor een overeenkomst van verdeling noodzakelijk is dat overeenstemming bestaat over (i) de toedeling en (ii) de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft. [1] [gedaagde] heeft in dit verband gewezen op de e-mail van [eiser] van 1 juni 2022, zijn reactie daarop van de volgende dag en de e-mail van de door [eiser] ingeschakelde makelaar van 22 september 2022. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat uit deze e-mails volgt dat partijen zelf al een verdeling zijn overeengekomen. Uit de e-mail van 1 juni 2022, en de reactie daarop van [gedaagde] , blijkt immers dat er overeenstemming bestaat over wie welke panden zal verkrijgen. Uit de e-mail van 22 september 2022 blijkt verder dat partijen het er over eens zijn dat voor de waardebepaling wordt aangesloten bij de oude taxaties in verhuurde staat. Dit betekent dat, zoals ook in de e-mail van 22 september 2022 namens [eiser] lijkt te worden onderkend, de vorderingen uit hoofde van over- en onderbedeling (door de notaris) kunnen worden vastgesteld.
4.3.
[eiser] heeft nog betoogd dat nu partijen geen afspraken hebben gemaakt over de financiële afwikkeling van ieders inbreng, geen sprake kan zijn van een overeenkomst tot verdeling. Dat tussen partijen niets is overeengekomen over een vergoedingsrecht, brengt echter niet mee dat partijen geen overeenkomst tot verdeling hebben gesloten. Zoals in de jurisprudentie is bepaald, is dit namelijk geen essentieel onderdeel van deze overeenkomst. [2]
4.4.
Het voorgaande brengt mee dat partijen al een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW Pro zijn overeengekomen. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [eiser] tot verdeling zal afwijzen (vordering II). De hiermee verband houdende vorderingen die zien op de wijze van verdeling treffen hetzelfde lot (vordering II tot en met IX). Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om de verdeling van de gemeenschappen af te wikkelen. Zij zullen hierover echter zelf met elkaar in overleg moeten treden, omdat geen van de partijen nakoming van de verdelingsafspraak heeft gevorderd. De rechtbank overweegt ten overvloede dat zij begrijpt dat partijen na de totstandkoming van de overeenkomst tot verdeling zijn doorgegaan met het gezamenlijk betalen van de hypotheeklasten en ook de ontvangsten uit hoofde van de verhuur van de panden bij helfte hebben verdeeld, namelijk door al deze geldstromen nog steeds via de gezamenlijke rekening te laten lopen, en het overschot bij helfte te delen. In deze handelswijze ligt besloten dat voor de peildatum voor het vaststellen van de overwaarde van de panden aan de hand van de hoogte van de uitstaande hypothecaire schulden, aangesloten moet worden bij het moment dat de panden worden geleverd.
Contante betalingen
4.5.
Naast verdeling van de gemeenschappen, vordert [eiser] dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot medewerking aan overboeking aan [eiser] van het bedrag dat de notaris in depot houdt, op straffe van een direct opeisbare boete van € 1.000 voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft. Daarnaast vordert hij betaling van het restant van € 12.249,45.
4.6.
Het geschilpunt dat aan deze vorderingen ten grondslag ligt, is de vraag of partijen in de samenwerking een gelijke inbreng hebben gehad. Volgens [eiser] is dat niet het geval en heeft hij meer ingebracht dan [gedaagde] . Hij verwijst hierbij onder meer naar waarborgsommen die hij heeft voldaan en nog uitstaande nota’s voor door hem verrichte bouwwerkzaamheden. Op basis hiervan zou hij wat betreft de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] een bedrag van € 161.291 meer hebben ingebracht dan [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit bedrag aan inbreng door [eiser] niet weersproken, maar stelt zich op het standpunt dat partijen telkens tussentijds contant hebben afgerekend. Deze werkwijze hebben partijen niet alleen aangehouden met betrekking tot de [adres 1] en de [adres 2] , maar ook met betrekking tot de overige acht panden waarvan zij nog steeds het gezamenlijke eigendom hebben. Pas nadat partijen met elkaar in conflict waren geraakt, omdat [eiser] achter de rug om – en in naam van - [gedaagde] afspraken met huurders had gemaakt, is [eiser] zich op het standpunt gaan stellen dat hij nog aanzienlijke bedragen van [gedaagde] tegoed had.
4.7.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen hun samenwerking informeel hebben geregeld en dat er geen deugdelijke boekhouding is bijgehouden. De rechtbank ziet zich nu geconfronteerd met twee versies van een verhaal die niet allebei waar kunnen zijn. Volgens [gedaagde] is bij elk project (en dus ook de [adres 1] en de [adres 2] ) tussentijds contant afgerekend en volgens [eiser] heeft hij ter zake het gemeenschappelijk onroerend goed nooit enig bedrag contant van [gedaagde] ontvangen. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank van belang om vast te stellen of er tussen partijen een consistente werkwijze heeft bestaan waarbij [gedaagde] aan [eiser] contante bedragen heeft betaald.
4.8.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar een door hem overgelegde schriftelijke verklaring van de heren [naam 3] en [naam 4] gedateerd op 19 februari 2023. De rechtbank heeft begrepen dat dit twee broers betreft die als investeerders betrokken zijn geweest bij weer een ander project van partijen. Voor zover relevant voor dit geschil verklaren zij het volgende:
“Vervolgens kwamen wij [gedaagde] , [naam 4] en [naam 3] en [eiser] medio oktober 2020 bij elkaar om over o.a. de voorwaarden, winstverdeling, tijdsverbouwing en de kosten te praten. Daarnaast moest [gedaagde] volgens zijn zeggen iets meer dan 30.000 euro overhandigen aan [eiser] voor een ander project. Dit gesprek en overhandiging vond medio oktober 2020 in de avond rond 19.30 uur plaats bij de rotonde aan de Dierenselaan/Steijnlaan te Den Haag. Wij zagen [eiser] vluchtig in de enveloppen kijken en het was oké voor hem. Dit gesprek en overhandiging gaf ons ook de vertrouwen hoe [gedaagde] en [eiser] met elkaar omgingen.”
4.9.
De rechtbank heeft geen reden om aan deze schriftelijke verklaring te twijfelen. Hoewel [eiser] ontkent ooit een contante betaling in het bijzin van de broers [naam 3 en naam 4] te hebben ontvangen heeft hij verder ook geen redenen aangedragen waarom deze verklaring onbetrouwbaar zou zijn. De betrouwbaarheid van de uitspraken over de contante gelden wordt bovendien ondersteund door het feit dat de broers bij de uitkomst van deze procedure geen belang hebben, en dat deze schriftelijke verklaring is opgesteld in het kader van een ander geschil, waar de vraag of sprake is geweest van contante betalingen geen rol speelde. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, anders dan door [eiser] wordt gesteld, er in verband met de projecten wel degelijk contante betalingen tussen partijen hebben plaatsgevonden. Dat jaren later in deze procedure niet meer concreet kan worden gemaakt welke bedragen, op welk moment en voor welk project zijn voldaan, is inherent aan de informele wijze waarop partijen hun samenwerking hebben geregeld.
4.10.
Verder van belang is dat partijen de overwaarde die is vrijgekomen na de verkoop van het pand aan de [adres 1] bij helfte hebben verdeeld. Ook hieruit volgt dat tussentijdse afrekeningen moeten hebben plaatsgevonden. Mochten er geen verrekeningen hebben plaatsgevonden in de vorm van contante betalingen, dan had het immers voor de hand gelegen dat partijen bij de verdeling van deze overwaarde rekening hadden gehouden met het feit dat [eiser] met betrekking tot dit pand een bedrag van € 107.960 had ingebracht en [gedaagde] helemaal niets. Ook de ontvangen bedragen aan huur ten aanzien van de panden die zij nog in gemeenschappelijk eigendom hebben, hebben partijen (zo begrijpt de rechtbank) altijd bij helfte verdeeld, terwijl [eiser] met betrekking tot deze panden ook nog eens een bedrag van € 221.823 [3] meer zou hebben ingebracht dan [gedaagde] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog wel toegelicht dat hij voornoemd bedrag van € 107.960 in de samenwerking wilde laten en hij het bedrag dat hij ten aanzien van alle panden in totaal meer zou hebben ingebracht (volgens [eiser] € 393.114) terug zou krijgen op het moment dat een pand zou worden verkocht en er dus geld zou vrijkomen. Uit de toelichting van beide partijen volgt echter ook dat de panden, met uitzondering van de [adres 1] en de [adres 2] , zijn aangekocht met de bedoeling deze voor langere tijd te verhuren. Indien de verklaring van [eiser] juist zou zijn, zou dit betekenen dat hij geruime tijd niet over zijn investering zou kunnen beschikken, zonder dat daar enige vergoeding tegenover zou staan. Het valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen welk zakelijk belang [eiser] bij een dergelijke regeling zou hebben. Dat de verdeling van de overwaarde van het pand aan de [adres 1] enkel heeft plaatsgevonden op initiatief van [gedaagde] , zoals [eiser] tijdens de mondelinge behandeling nog heeft aangevoerd, blijkt tot slot nergens uit.
4.11.
Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende betwist dat de door hem ingebrachte bedragen met contante betalingen tussentijds zijn verrekend. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de inbreng van partijen ten aanzien van het pand aan de [adres 1] en de [adres 2] gelijk is geweest. [eiser] heeft in dit verband er nog op gewezen dat uit de beschikbare administratie volgt dat hij een bedrag heeft ingebracht van € 525.560, [gedaagde] een bedrag van € 132.446, en dat [gedaagde] volgens zijn eigen stellingen slechts contante betalingen van € 177.500 heeft kunnen terugvinden, en dat [eiser] daarom sowieso een vergoedingsrecht heeft, maar de rechtbank gaat daar aan voorbij. Het bedrag van € 177.500 komt in grote lijnen overeen met de vergoeding van de helft van de meerinbreng (€ 525.560 - € 132.446/2 = € 196.557). Aan de omstandigheid dat deze bedragen niet geheel met elkaar overeenkomen kent de rechtbank, gelet op de wijze waarop partijen de administratie hebben gevoerd, geen nadere betekenis toe.
4.12.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat partijen beiden aanspraak kunnen maken op de helft van het bedrag dat bij de notaris in depot staat. De rechtbank zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot medewerking aan overboeking van de helft van dit bedrag aan [eiser] . Zoals gevorderd zal de rechtbank hierbij een termijn hanteren van tien dagen na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal de rechtbank afwijzen, nu zij geen aanwijzingen heeft dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling zal voldoen. [eiser] heeft zijn vordering op dit punt ook niet onderbouwd.
4.13.
Voor de aanspraak van [gedaagde] op de andere helft van het depot geldt dat hij daartoe geen vordering heeft ingesteld. De rechtbank kan [eiser] dus niet veroordelen tot medewerking aan overboeking van de andere helft van het depot aan [gedaagde] .
4.14.
Nu de aanspraak van [eiser] beperkt is tot de helft van het depotbedrag, is tot slot ook de van [gedaagde] gevorderde restantbetaling van € 12.249,45 niet toewijsbaar.
Verrekening
4.15.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij aan [eiser] een bedrag heeft uitgeleend van in totaal € 45.000. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] in dit kader een beroep op verrekening gedaan. Nu [eiser] geen vordering op [gedaagde] heeft, kan van verrekening geen sprake zijn. De rechtbank zou overigens, ook al zou [eiser] een vordering op [gedaagde] hebben, het beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW Pro hebben gepasseerd.
Proceskosten
4.16.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
beveelt [gedaagde] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de overboeking van de helft van het ten gunste van hem en [eiser] door de notaris in depot gehouden bedrag aan [eiser] ;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
2984

Voetnoten

1.Hoge Raad, 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2471, rov. 8.7.3.
3.Het totaalbedrag dat [eiser] meer zou hebben ingebracht dan [gedaagde] van € 393.114, verminderd met de bedragen die hij zou hebben ingebracht ten aanzien van de verkochte panden aan de [adres 1] en de [adres 2] van respectievelijk € 107.960 en € 63.331.