ECLI:NL:RBDHA:2026:4959

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10798
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

De minister heeft op 13 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die nog steeds van kracht is. Eiser betoogt dat er sprake is van langdurige stilstand in zijn laissez passer-traject en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten is ingepland. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 19 december 2025.

De rechtbank stelt vast dat er in het algemeen geen gebrek is aan zicht op uitzetting naar Algerije en dat de lp-aanvraag nog in onderzoek is zonder aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez passer zullen afgeven. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door meerdere rappels aan de Algerijnse autoriteiten te sturen en vertrekgesprekken te plannen, waarbij eiser niet is verschenen.

De rechtbank oordeelt dat een lichter middel dan vreemdelingenbewaring niet volstaat om uitzetting te verzekeren en dat er geen nieuwe omstandigheden zijn die de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10798

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. De minister heeft op 13 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op 26 februari 2025 via een kennisgeving op de hoogte gebracht van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Op 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op de zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 4 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

Standpunten eiser
2. Eiser is van mening dat er sprake is van langdurige stilstand in zijn laissez passer (lp)-traject, en dat er daardoor geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Ook is er ten onrechte nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten ingepland. Dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrekgesprekken, en daarmee geen medewerking verleent aan zijn uitzetting, doet hier niet aan af.
Beoordeling rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 december 2025 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 december 2026.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 8, 20 en 29 januari en op 19 februari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Op 12 januari 2026 en 9 februari 2026 stond een vertrekgesprek gepland, maar eiser is niet verschenen. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld of op individueel niveau had moeten rappelleren.
5.2.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 3. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [5]

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.NL25.60907.
4.Zie de Afdelingsuitspraken van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647).