De minister heeft op 13 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die nog steeds van kracht is. Eiser betoogt dat er sprake is van langdurige stilstand in zijn laissez passer-traject en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten is ingepland. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 19 december 2025.
De rechtbank stelt vast dat er in het algemeen geen gebrek is aan zicht op uitzetting naar Algerije en dat de lp-aanvraag nog in onderzoek is zonder aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez passer zullen afgeven. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door meerdere rappels aan de Algerijnse autoriteiten te sturen en vertrekgesprekken te plannen, waarbij eiser niet is verschenen.
De rechtbank oordeelt dat een lichter middel dan vreemdelingenbewaring niet volstaat om uitzetting te verzekeren en dat er geen nieuwe omstandigheden zijn die de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.