ECLI:NL:RBDHA:2026:496

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL26.324
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en een onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

De rechtbank toetst of de voortzetting van de maatregel rechtmatig is sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 2 december 2025. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt en dat de minister onvoldoende transparantie biedt over de afgifte van laissez-passers door de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat er geen concrete aanwijzingen zijn die het zicht op uitzetting in redelijkheid in twijfel trekken. De minister heeft op 17 december 2025 een rappel gedaan en er is geen bewijs dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen afgeven.

Daarnaast heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door te verklaren niet terug te willen keren naar Marokko. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 december 2025 (in de zaak NL25.57099) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 december 2025.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko?
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Eiser is van mening dat de minister het schriftelijke rappel van 17 december 2025 aan het dossier moet toevoegen. Ook voert eiser aan dat de minister inzage moet geven in het aantal afgegeven laissez-passers (lp) door de Marokkaanse vertegenwoordiging aan ongedocumenteerden in 2025.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. [1] Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 17 december 2025 heeft gerappelleerd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage en vindt een nadere onderbouwing daarvoor niet nodig. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen gegeven die reden zouden kunnen zijn om eraan te twijfelen dat de minister daadwerkelijk contact heeft gezocht met de autoriteiten in Marokko over de lp-aanvraag. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de informatie in de voortgangsrapportage. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de minister te verzoeken om inzage in cijfers van afgegeven lp’s aan ongedocumenteerden door de Marokkaanse vertegenwoordiging in 2025. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat eiser zelf geen inspanningen verricht om de lp-afgifte en daarmee zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 18 december 2025 verklaard dat hij niet terug wil keren naar Marokko. Het komt voor rekening en risico van eiser dat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. [2]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:438.
2.ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (