ECLI:NL:RBDHA:2026:497
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling naar Senegal ongegrond verklaard
De minister van Asiel en Migratie legde op 19 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 2 december 2025, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Senegal vanwege het uitblijven van een ontvangstbevestiging van de laissez-passer-aanvraag en dat de redelijke termijn voor agendering is overschreden. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, gelet op verstrekte lp’s en uitzettingen in 2024 en 2025, en dat de minister voldoende tijd mag krijgen om de uitzetting te realiseren.
Verder stelde eiser dat vanwege zijn medische situatie een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn. De rechtbank verwierp dit omdat het risico op onttrekking aan toezicht blijft bestaan en de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.