De vrouw verzocht de rechtbank Den Haag om ontbinding van het geregistreerd partnerschap dat zij in 2013 met de man was aangegaan. Uit dit partnerschap is een minderjarige geboren in 2024. De vrouw heeft de Poolse nationaliteit, de man de Turkse, en het kind bezit beide nationaliteiten.
De man werd openbaar opgeroepen voor een zitting maar verscheen niet, waarna de zaak op de stukken werd afgedaan. De vrouw had een verzoek ingediend tot ontkenning van het vaderschap van de man en gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, lopend onder een ander zaaknummer.
De rechtbank stelde vast dat het wettelijk vereiste ouderschapsplan ontbrak, maar ging hieraan voorbij omdat de vrouw aannemelijk had gemaakt dat de man sinds 2015 onvindbaar is en geen contact meer onderhoudt. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht toepasselijk is.
De vrouw stelde dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht, hetgeen door de man niet werd betwist. De rechtbank wees het verzoek tot ontbinding toe en sprak de ontbinding uit op 9 februari 2026.