ECLI:NL:RBDHA:2026:504

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL26.667
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring vervolgberoep en detentiegeschiktheid in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep betreffende de maatregel van bewaring van eiser, opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die in detentie verblijft, heeft op 17 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd gekregen, welke nog steeds van kracht is. De rechtbank heeft op 6 januari 2026 kennisgenomen van de voortduren van de bewaring, wat gelijkgesteld wordt met een door eiser ingesteld beroep. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2026 gesloten en besloten dat een zitting niet nodig was.

De rechtbank overweegt dat zij voldoende informatie heeft om zonder zitting uitspraak te doen. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat hij mogelijk niet detentiegeschikt is, maar de rechtbank oordeelt dat hij hierin niet is geslaagd. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank wijst erop dat eiser in een eerder vertrekgesprek heeft aangegeven dat het goed met hem gaat en dat hij het verblijf in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht prettiger vindt dan in het detentiecentrum Rotterdam.

De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht op uitzetting is naar Marokko en Algerije, ondanks dat eiser niet is gepresenteerd bij de autoriteiten van deze landen. De rechtbank merkt op dat de voortgangsrapportages geen indicaties geven dat er geen zicht op uitzetting is. Eiser heeft ook niet voldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting, wat zijn situatie niet ten goede komt. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 9 februari 2026 en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.667

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 6 januari 2026 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft op 6 januari 2026 voortgangsgegevens overgelegd. Eiser heeft hier op 8 januari 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is op 9 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 oktober 2025 (in de zaak NL25.50911) volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van het sluiten van het onderzoek door de rechtbank in de betreffende zaak. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 oktober 2025.
Detentiegeschiktheid
4. Eiser stelt in zijn beroepsgronden dat er wellicht getoetst kan worden of hij (nog) wel detentiegeschikt is.
5. Voor zover eiser zich met deze ambivalent geformuleerde beroepsgrond op het standpunt stelt dat hij detentieongeschikt is, volgt de rechtbank hem daarin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ligt het op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van detentieongeschiktheid [1] . Eiser is in deze bewijslast niet geslaagd, alleen al niet omdat hij in het geheel geen nadere (medische) gegevens heeft overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.
6. De rechtbank wijst er overigens op dat eiser in het vertrekgesprek van 5 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat het goed met hem gaat en dat hij het verblijf in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht (Veldzicht) prettiger vindt dan in het detentiecentrum Rotterdam (DTC Rotterdam), waar eiser voor zijn overplaatsing verbleef. In Veldzicht is het een stuk rustiger, zo verklaart hij. Zo bezien bevat het dossier evenmin concrete indicaties dat eiser, vanwege zijn fysieke of mentale conditie, voor detentieongeschikt moet worden gehouden.
Gang van zaken rondom vertrekgesprekken
7. Eiser heeft in zijn beroepsgronden geconstateerd dat in de voortgangsrapportage staat vermeld dat hij op 18 oktober 2025 is geplaatst in DTC Rotterdam, maar daaruit is niet af te leiden dat hij naar Veldzicht is overgeplaatst. Eiser benoemt verder dat op 21 oktober 2025 en 3 december 2025 een vertrekgesprek plaats zou vinden en dat beide keren sprake was van een “no show”. Eiser vraagt zich af of (de uitnodigingen voor) vertrekgesprekken plaats hebben gevonden in Veldzicht. Daarnaast is volgens eiser de vraag of hij wel in staat was om deel te nemen aan deze vertrekgesprekken, vanwege de dwangmedicatie. Daarmee rijst volgens eiser óók de vraag of hij tijdens het vertrekgesprek van 5 november 2025 wel in staat was om logisch en consistent te verklaren.
8. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring het niet van belang is om te weten op welke precieze datum eiser in Veldzicht is geplaatst. Dat eiser op dit moment – en al enige tijd –inderdaad in Veldzicht verblijft is buiten twijfel, en dat zijn gemachtigde ook hiervan op de hoogte is blijkt uit het feit dat dit in de beroepsgronden is geduid. Door gemachtigde is niet nader toegelicht waarom het voor de beoordeling van het voortduren van de maatregel van belang is dat de exacte datum van overplaatsing is aangegeven in de M120. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 november 2025 is verder expliciet af te leiden dat dit in Veldzicht heeft plaatsgevonden (pag. 1). In het verslag van het vertrekgesprek van 21 oktober 2025 is daarnaast duidelijk te lezen waarom het gesprek geen doorgang kon vinden. Wat betreft het gesprek van 3 december 2025 heeft de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de mededeling in de voortgangsrapportage dat sprake is van een verwijtbare “no show”, mede gezien de toelichting op pag. 4 (“Betrokkene weigert een gesprek met de DTenV”).
9. Ten aanzien van de door eiser uitgesproken twijfels of hij – vanwege de dwangmedicatie – wel in staat was om deel te nemen aan de vertrekgesprekken en voorts of wel logisch en consistent kon verklaren, overweegt de rechtbank – in het verlengde van wat onder 4 is overwogen – dat het eveneens op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat hem niet kan worden verweten dat de vertrekgesprekken niet hebben plaatsgevonden dan wel dat hij geacht moet worden niet in te kunnen staan voor wat hij in het vertrekgesprek van 5 november 2025 verklaard heeft. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 november 2025 niet valt op te maken dat eiser goed in staat was te verklaren; integendeel, zijn aldaar afgelegde verklaringen vormen een logisch en consistent geheel.
Zicht op uitzetting
10. Eiser geeft in zijn beroepsgronden aan dat eiser nimmer is gepresenteerd bij de Marokkaanse dan wel bij de Algerijnse autoriteiten. In de voortgangsrapportage staat ook geen reden vermeld waarom eiser niet is gepresenteerd.
11. Voor zover eiser hiermee betwist dat sprake is van een voldoende zicht op uitzetting, slaagt dit niet. Uit de voortgangsrapportage is af te leiden dat op respectievelijk 24 oktober 2025 en 27 oktober 2025 een aanvraag om een laissez-passer (lp) naar de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten is verstuurd. Ten aanzien van beide landen kan op dit moment worden aangenomen dat zicht op uitzetting in het algemeen niet geacht moet worden te ontbreken. Ook in het geval van eiser bestaan daarvoor geen indicaties. Op de Marokkaanse lp-aanvraag is op 6 november 2025, 27 november 2025 en 17 december 2025 gerappelleerd en op de Algerijnse lp-aanvraag is op 6 november 2025, 11 november 2025, 27 november 2025 en 17 december 2025 gerappelleerd. De beide lp-aanvragen zijn dus nog in behandeling en de autoriteiten van beide landen hebben niet aangegeven dat ten behoeve van eiser geen lp zal worden verstrekt. De omstandigheid dat vooralsnog – na enkele malen rappelleren – nog geen concreet resultaat is geboekt en dat eiser nog niet is gepresenteerd maakt dat niet anders. Verweerder dient immers de nodige tijd te worden gegund voor dit proces. De rechtbank wijst er verder op dat op eiser zelf ook een plicht rust om actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting [2] . Het dossier geeft er blijk van dat eiser die medewerkingsplicht vooralsnog onvoldoende nakomt, zoals onder meer duidelijk wordt uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 november 2025.
Overige opmerking in de beroepsgronden
12. Eiser stelt dat niet duidelijk is welk verzoek om een voorlopige voorziening er op 2 november 2025 zou zijn ingediend, laat staan aan welk rechtsmiddel dat verzoek gekoppeld is.
13. De rechtbank merkt op dat deze opmerking van eisers gemachtigde verbazing werkt, nu uit het zaaksysteem van de rechtbank (“MWO”) valt af te leiden dat eiser – vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier – op 2 november 2025 een beroep heeft ingediend tegen een aan eiser opgelegd terugkeerbesluit en op diezelfde datum in dat kader een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend (NL25.53773 en NL25.53774). Dit correspondeert met de mededeling op pag. 4 van de voortgangsrapportage (’02-11-2025: Ontvangst VoVo”). Dat eisers gemachtigde – zo begrijpt de rechtbank althans haar opmerking in de beroepsgronden – kennelijk zelf niet meer weet dat zij (onlangs) bepaalde rechtsmiddelen voor haar cliënt heeft ingediend, is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Voor zover gemachtigde heeft willen betogen dat het indiende verzoek om voorlopige voorziening de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring raakt, merkt de rechtbank op dat aan eiser op 17 oktober 2025 een aanvullende terugkeerbesluit is opgelegd met als landen van terugkeer Marokko en/of Algerije. Hierin is aangegeven dat het instellen van beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening geen schorsende werking heeft. In die zin raakt het ingediende verzoek om voorlopige voorziening de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel niet.
Ambtshalve toets
14. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepsgronden niet tot de conclusie leiden dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank overweegt tenslotte dat zij in het kader van de ambtshalve toets [3] , waartoe de rechtbank gehouden is, evenmin onrechtmatigheden heeft geconstateerd.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 februari 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2666
2.vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5557
3.ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.