ECLI:NL:RBDHA:2026:504
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring vervolgberoep en detentiegeschiktheid in het bestuursrecht
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep betreffende de maatregel van bewaring van eiser, opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die in detentie verblijft, heeft op 17 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd gekregen, welke nog steeds van kracht is. De rechtbank heeft op 6 januari 2026 kennisgenomen van de voortduren van de bewaring, wat gelijkgesteld wordt met een door eiser ingesteld beroep. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2026 gesloten en besloten dat een zitting niet nodig was.
De rechtbank overweegt dat zij voldoende informatie heeft om zonder zitting uitspraak te doen. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat hij mogelijk niet detentiegeschikt is, maar de rechtbank oordeelt dat hij hierin niet is geslaagd. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank wijst erop dat eiser in een eerder vertrekgesprek heeft aangegeven dat het goed met hem gaat en dat hij het verblijf in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht prettiger vindt dan in het detentiecentrum Rotterdam.
De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht op uitzetting is naar Marokko en Algerije, ondanks dat eiser niet is gepresenteerd bij de autoriteiten van deze landen. De rechtbank merkt op dat de voortgangsrapportages geen indicaties geven dat er geen zicht op uitzetting is. Eiser heeft ook niet voldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting, wat zijn situatie niet ten goede komt. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 9 februari 2026 en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.