ECLI:NL:RBDHA:2026:505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62928, NL25.62932, NL25.62937, NL25.62940 en NL25.62942
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een gezin op basis van artikel 59a van de Vreemdelingenwet met betrekking tot overdracht aan Duitsland

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een procedure over de bewaring van een gezin op basis van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De eisers, een gezin van Algerijnse nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen de maatregelen van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie zijn opgelegd op 19 december 2025. De minister heeft deze maatregelen opgelegd omdat er een concreet aanknopingspunt was voor een overdracht aan Duitsland en er een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. Op 22 december 2025 is de maatregel van bewaring opgeheven omdat eisers zijn overgedragen aan Duitsland. De rechtbank heeft op 2 januari 2026 de zaak behandeld, maar eisers en hun gemachtigde zijn niet verschenen. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft beoordeeld of de maatregelen van bewaring onrechtmatig waren en of eisers recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onrechtmatig was, omdat eisers onder de in artikel 59a van de Vreemdelingenwet genoemde categorie vreemdelingen vallen en er voldoende gronden waren voor de maatregel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de overdracht van eisers aan Duitsland en dat de belangen van de minderjarige kinderen voldoende zijn meegewogen. De beroepen zijn ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.62928, NL25.62932, NL25.62937, NL25.62940 en NL25.62942

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam] eiseres,

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
mede namens haar minderjarige kinderen,

[naam] Yahaoui,

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],

[naam]

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],

[naam]

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],

[naam]

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
allen van Algerijnse nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 19 december 2025 aan eisers maatregelen van bewaring opgelegd op grond van op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] .
1.1.
Eisers hebben tegen deze maatregelen van bewaring beroep ingesteld. Deze beroepen moeten ook worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eisers zijn overgedragen aan Duitsland.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 januari 2025 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment, voorafgaand aan de opheffing daarvan, onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eisers:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft op de zitting lichte grond 4b laten vallen.
3.2.
De minister heeft de gronden in de maatregelen nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eisers de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet hebben bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers vallen onder de in artikel 59a van de Vreemdelingenwet genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Uit Eurodac is gebleken dat eisers in Duitsland asiel hebben aangevraagd. Op 30 juni 2025 heeft Duitsland akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek, waarna op 22 december 2025 de overdracht van eisers aan Duitsland heeft plaatsgevonden. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3k, 3m, 4a, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt [3] dat, om de zware gronden 3a en 3k aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiseres heeft namelijk verklaard bij inreis niet te beschikken over een geldig reisdocument of visum voor haar en haar kinderen om Nederland binnen te reizen. Dat eisers zich direct na inreis in Nederland hebben gemeld bij de autoriteiten doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Daarnaast is grond 3k feitelijk juist. Eiseres heeft op 31 juli 2025 een overdrachtsbesluit ontvangen. Eiseres heeft sindsdien meermaals verklaard dat zij niet terug wil naar Duitsland, ook tijdens het gehoor voorafgaand aan deze inbewaringstelling. Daarnaast is ook niet gebleken dat zij na de oogoperatie van haar zoon [naam] concrete stappen heeft ondernomen om een vrijwillige en zelfstandige overdracht van haar en haar kinderen te bewerkstelligen. Verder is grond 3m ook terecht aan eisers tegengeworpen. De uiterste overdrachtsdatum was bepaald op 30 december 2025, wat maakt dat er ten tijde van het opleggen van de bewaringsmaatregel nog maar een zeer korte termijn was om het gezin over te dragen voordat de overdrachtsmogelijkheid zou vervallen. De stelling van eiseres dat de minister onvoldoende actie heeft ondernomen om de overdracht tijdig te regelen, volgt de rechtbank niet. De minister had namelijk op 13 oktober 2025 een eerdere overdracht al gepland, die uiteindelijk geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiseres weigerde met haar kinderen de taxi in te stappen.
6.3.
Ten aanzien van de lichte gronden is de rechtbank van oordeel dat deze ook terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat de minister de relevantie van deze gronden voor het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende heeft gemotiveerd. Eisers zijn niet in bezit van een document als bedoeld in artikel 4.21 Vb. Dat de identiteit en nationaliteit van eisers niet in geschil staan, maakt niet dat eisers zijn ontslagen van de verplichting om in het bezit te zijn van een document zoals omschreven in artikel 4.21 Vb. Verder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan.
Lichter middel
7. Eisers voeren aan dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft zich in de maatregelen slechts gebaseerd op standaardoverwegingen die voor alle kinderen hetzelfde zijn, en die erop neerkomen dat het in het belang van de kinderen zou zijn om hun moeder te volgen, omdat zij van haar afhankelijk zijn en hun situatie verbonden is met die van hun moeder. De minister heeft ten onrechte niet meegewogen dat de kinderen eerder op onrechtmatige wijze gedetineerd zijn geweest, dat zoon Matine een ingrijpende operatie heeft moeten ondergaan, en dat hun vader achterblijft in Nederland. Eisers doen hierbij een beroep op de uitspraak van 18 december 2025 [4] van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in de zaken van eisers, alsmede op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 30 september 2025. [5]
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiseres, de minister er terecht van is uitgegaan dat eisers niet uit eigen beweging gevolg zullen geven aan de op hen rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de overdracht van eisers te verzekeren.
7.2.
De rechtbank constateert dat eiseres verschillende medische klachten heeft en dat haar zoon [naam] oogproblemen heeft, waaraan hij recent is geopereerd. De minister heeft deze medische omstandigheden meegewogen en eisers erop gewezen dat op de Gesloten Gezinsvoorziening Zeist een medische dienst en psychologen aanwezig zijn, waar eisers een intake krijgen en waar, indien nodig, medische behandeling en/of medicatie wordt verstrekt. De minister heeft in dit verband terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
7.3.
Volgens het eigen beleid [6] van de minister vereist vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen een versterkte mate van terughoudendheid en extra aandacht voor de mogelijkheid om een minder ingrijpende maatregel dan vrijheidsontneming toe te passen. Rekenschap moet worden gegeven van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij in ieder geval de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de samenstelling van het gezin worden meegewogen. Ten aanzien van alleenstaande minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt zoveel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.
7.4.
Bij de beoordeling van het lichtere middel is meegewogen dat de meldplicht, de vertrekgesprekken en de door de DT&V [7] geplande overdracht, waaraan eisers hebben geweigerd mee te werken, niet hebben geleid tot het daadwerkelijke vertrek van eisers. Nu genoegzaam is gebleken dat eisers niet naar Duitsland willen terugkeren en niet zullen meewerken aan de overdracht, zal het continueren of toepassen van een lichter middel dan bewaring niet volstaan en is het opnieuw niet toepassen van een lichter middel niet onevenredig zwaar.
7.5.
Ten aanzien van de minderjarige kinderen is een verzwaarde belangenafweging gemaakt. Hierbij is meegewogen dat het gezin steeds als één geheel is beschouwd en dat de situatie van de kinderen onlosmakelijk verbonden is met die van hun moeder. De kinderen kunnen nog niet voor zichzelf zorgen en zijn daarin afhankelijk van hun moeder; het is dan ook in het belang van de kinderen om bij hun moeder te blijven. Daarnaast zijn ook de leeftijden en de medische achtergronden van de kinderen individueel meegewogen, en is overwogen dat het verblijf in Zeist in het belang van de minderjarige kinderen van zo kort mogelijke duur zal zijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat de datum van de overdracht al bekend was en dat niet is gebleken dat de kinderen op het moment van de inbewaringstelling een tegengesteld belang hadden ten opzichte van dat van hun moeder. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minderjarige kinderen voldoende bij de oplegging van de maatregel zijn betrokken.
7.6.
Het beroep op de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in de zaken van eisers waarin hun beroep tegen een eerdere inbewaringstelling destijds gegrond is verklaard, slaagt niet. Zoals de minister ter zitting terecht heeft gesteld, was ten tijde van die eerdere inbewaringstelling sprake van een andere situatie en daarmee geen gelijk geval. De uiterlijke overdrachtsdatum lag toen pas eind december 2025 en met spoed was een operatie aan het oog van zoon Matine noodzakelijk. In de huidige situatie is de zoon inmiddels geopereerd en resteerde ten tijde van deze inbewaringstelling nog slechts een zeer korte termijn tot de overdracht, voordat de uiterlijke overdrachtsdatum zou vervallen.
7.7.
Ook het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, slaagt niet. Anders dan in die zaken, waarin bij de maatregelen ten aanzien van de kinderen twee identieke standaardoverwegingen waren opgenomen, zijn de overwegingen in de onderhavige maatregelen individueel en op elk kind toegespitst.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eisers en dat zicht op overdracht niet ontbrak. Eisers zijn op 22 december 2025 aan Duitsland overgedragen. Dit is de vierde dag van de inbewaringstelling. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.NL25.53565, NL25.53566, NL25.53567, NL25.53568 en
6.Volgens artikel A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (A).
7.Dienst Terugkeer en Vertrek.