Eiser diende op 20 juli 2021 een opvolgende aanvraag in voor een Chavez-verblijfsvergunning, welke door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen op 23 december 2021. De afwijzing werd gehandhaafd bij besluit van 21 oktober 2022. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat op 1 november 2023 ongegrond werd verklaard. Na verzet werd dit oordeel op 12 maart 2024 herzien, waarna de zaak op 30 oktober 2025 inhoudelijk werd behandeld.
De rechtbank beoordeelde dat eiser geen relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die het eerdere besluit van 5 maart 2019, waarin zijn eerste aanvraag werd afgewezen wegens een gevaar voor de openbare orde, konden weerleggen. De overgelegde stukken, waaronder rapportages van Limor en GGZ Delfland, foto’s en verklaringen, betroffen voornamelijk de gezinssituatie en waren grotendeels reeds bekend of onvoldoende onderbouwd om het eerdere oordeel te wijzigen.
De rechtbank stelde vast dat het standpunt van de minister dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, door eerdere uitspraken van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was bevestigd. De aangevoerde gronden van eiser waren herhalingen van eerdere betogen zonder nieuwe motivering.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Duifhuizen en griffier R.C. Lubbers op 10 maart 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.