ECLI:NL:RBDHA:2026:5109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 3:5 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:15 tweede lid Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, vordert een hogere aanvullende schadevergoeding voor werkelijk geleden schade dan toegekend door de Dienst Toeslagen. De primaire vergoeding bedroeg € 703, later aangevuld tot € 13.933. Eiseres stelt dat materiële en immateriële schadeposten onvoldoende zijn vergoed en beroept zich op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank toetst het causale verband tussen de schade en de kinderopvangtoeslagproblematiek. De arbeidsovereenkomsten van eiseres en haar partner eindigden vóór het ontstaan van de problemen, waardoor inkomensschade niet aannemelijk is. Ook andere materiële schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. Wel is vastgesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gemotiveerd over de immateriële schadeposten ‘afwijzing schuldhulpverlening 2018’ en ‘dakloosheid’, waarvoor een nieuw besluit moet worden genomen.

Daarnaast is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met ruim anderhalf jaar overschreden, wat leidt tot een vergoeding van € 2.000. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van deze immateriële schade, proceskosten van € 1.868 en het griffierecht van € 53. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit over de immateriële schadevergoeding en beveelt een nieuw besluit met een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. S.R. Busch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1
In het primaire besluit van 25 juli 2022 is aan eiseres een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade toegekend van € 703. In het bestreden besluit van 16 december 2024 heeft verweerder het primaire besluit aangevuld in die zin dat aan eiseres een nadere vergoeding is toegekend van € 13.933.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft eiseres voor het jaar 2014 een compensatiebedrag ontvangen van € 22.374 (compensatiebedrag). In het compensatiebedrag is een bedrag van € 5.139 begrepen voor vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 6.000 voor vergoeding van immateriële schade. Het compensatiebedrag is later op grond van de Catshuisregeling aangevuld met een bedrag van € 7.804 (Catshuis surplus).
3. Omdat eiseres van mening is dat zij meer schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat zij van verweerder heeft ontvangen, heeft zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Daarbij heeft eiseres aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van tenminste € 110.534,75,-. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:
- Reiskosten € 187,36
- Kosten van vrije dagen € 14.920,69
- Verlies aan inkomen eiseres € 60.830,69
- Verlies aan inkomen partner van eiseres € 5.682,27
- Vermogensschade € 4.943
- Andere extra kosten € 20.618,74
- Kosten dwanginvordering € 3.352
- Immateriële schade: niet gespecificeerd.
4. De CWS heeft op 17 mei 2022 haar advies uitgebracht en verweerder geadviseerd om aan eiseres een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade toe te kennen van € 703. Volgens de CWS bestaat de werkelijke materiële schade van eiseres uit de reiskosten tot een bedrag van € 45, maar omdat de reeds door eiseres ontvangen vergoeding voor de materiële schade van € 5.139 hierop in mindering dient te worden gebracht, kan er per saldo geen aanvullende materiële schadevergoeding aan eiseres worden uitbetaald. De overige materiële schadeposten zijn volgens de CWS niet aannemelijk gemaakt. Wat de immateriële schade betreft, heeft de CWS geadviseerd om aan eiseres en haar partner
€ 10.500 en aan hun vier kinderen ieder € 1.000 toe te kennen. De al door eiseres ontvangen vergoeding voor de immateriële schade van € 6.000 en het Catshuis surplus zijn door de CWS in mindering gebracht op het totaalbedrag van de immateriële schade. Ook heeft eiseres een aanvullende compensatie van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 7.
5. In het primaire besluit is, in overeenstemming met het advies van de CWS, een aanvullende schadevergoeding aan eiseres toegekend van € 703.
6. De bezwaarschriftenadviescommissie (bac) heeft op 23 april 2024 advies uitgebracht aan verweerder en geadviseerd het bezwaar van eiseres deels gegrond te verklaren en de immateriële schadevergoeding te verhogen in verband met de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’. Verder adviseert de bac om aan eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase.
7. Verweerder is in het bestreden besluit afgeweken van het advies van de bac voor zover het betreft de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’ en de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Verweerder heeft wel aanleiding gezien om de materiële schadevergoeding van eiseres te verhogen met een bedrag van € 700 vanwege de tijd en reiskosten die zij kwijt is geweest aan regelzaken en het voeren van procedures. Daarnaast is aan eiseres op basis van het gewijzigde schadekader [1] van de CWS een schadevergoeding toegekend van € 2.000 in verband met de schadepost ‘gemiste waardestijging en schade door verkoop van sieraden’. Ook de immateriële schadevergoeding is op basis van het gewijzigde schadekader verhoogd en vastgesteld op een bedrag van in totaal € 27.800. De reeds door eiseres ontvangen vergoedingen voor de materiële en immateriële schade en het Catshuis surplus zijn in mindering gebracht op het totaalbedrag van de werkelijke schade. Aan eiseres is daarnaast een vergoeding toegekend van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS die niet wordt verrekend met de reeds ontvangen compensatie.
Wat vindt eiseres in beroep?
8. Eiseres vindt dat de toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding te laag is vastgesteld. De materiële schadeposten zijn ten onrechte niet vergoed, omdat wel degelijk sprake is van een causaal verband tussen deze schadeposten en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Eiseres vindt verder dat ook de vergoeding voor de immateriële schade te laag is vastgesteld. Eiseres kan zich niet vinden in de toegekende vergoeding voor bouwsteen A en het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 [2] .
Wat vindt verweerder in beroep?
9. Verweerder stelt dat eiseres geen recht heeft op een hogere materiële schadevergoeding, omdat het causale verband tussen de gestelde schadeposten en de problemen met de kinderopvangtoeslag niet aannemelijk is geworden. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding, heeft verweerder zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat de toegekende vergoeding niet juist is voor wat betreft bouwsteen A. Verweerder heeft namelijk geen rekening gehouden met de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’ en verzoekt de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren met instandhouding van de rechtsgevolgen.
Wat is het toetsingskader?
10. Uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk dient te maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder. Aannemelijk maken betekent dat eiseres aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van eiseres wordt gevraagd al de ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat haar stellingen worden ondersteund door of passen bij de overige aanwezige informatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Inkomensschade
11. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat de problemen met de kinderopvangtoeslag tot loonbeslag bij haar partner hebben geleid en dat zowel eiseres als haar partner hun baan door die problemen zijn kwijtgeraakt. Verweerder heeft de afwijzing van de inkomensschade gebaseerd op het advies van de CWS. De CWS acht het op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende aannemelijk dat de problemen met de kinderopvangtoeslag hebben geleid tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van eiseres op 19 november 2014 en die van haar partner op 1 juni 2017. Volgens de CWS begonnen de problemen met de kinderopvangtoeslag eind 2014 en op dat moment was de dienstbetrekking van eiseres reeds beëindigd. Eiseres en haar huidige partner waren bovendien officieel gescheiden in de periode van 4 mei 2015 tot 30 oktober 2017 en zijn daarna weer hertrouwd. Op 1 juni 2017 voerden zij dus geen gemeenschappelijke huishouding en kon er volgens de CWS dus geen verband bestaan tussen zowel de arbeidsomstandigheden van de partner als het loonbeslag en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
12. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies. [3] De rechtbank is van oordeel dat het advies van de CWS voldoet aan de daaraan te stellen eisen en verweerder mocht het bestreden besluit daarop baseren. Het advies is gebaseerd op de door eiseres verstrekte gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar.
13. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ook in beroep niet met objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag enerzijds en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van zowel eiseres als haar partner en de daardoor veroorzaakte inkomensschade anderzijds.
13.1
Uit het dossier blijkt dat de eerste neerwaartse correctie van de kinderopvangtoeslag 2014 dateert van 30 december 2014 [4] . Op grond hiervan kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen nadat de arbeidsovereenkomst van eiseres reeds was beëindigd. Uit het ‘LIC-overzicht KOT 2014’ [5] blijkt dat verweerder de kinderopvangtoeslagschuld van eiseres heeft verrekend met haar andere toeslagen en de inkomstenbelasting gedurende de periode van 8 januari 2018 tot en met 10 oktober 2019. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat het loonbeslag van de partner van eiseres in de periode tot 1 juni 2017 is gebruikt om de kinderopvangtoeslagschuld 2014 van eiseres af te lossen. De eerste invorderingshandeling van verweerder vond bovendien plaats nadat de dienstbetrekking van de partner al was beëindigd. Evenmin is aannemelijk geworden dat de problemen van eiseres met de kinderopvangtoeslag ervoor hebben gezorgd dat haar partner zijn baan is kwijtgeraakt. Dat de partner van eiseres ondanks de scheiding hoofdelijk aansprakelijk bleef voor de kinderopvangtoeslagschuld van eiseres, maakt, wat daar ook van zij, het voorgaande niet anders.
13.2
De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die de stelling van eiseres onderbouwen dat de problemen met de kinderopvangtoeslag eerder zijn begonnen dan op 30 december 2014. Eiseres stelt weliswaar dat de uitvraagbrief van verweerder van 26 mei 2014 [6] heeft geleid tot het opschorten van de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag, maar eiseres heeft geen objectieve informatie in het geding gebracht waar dat uit blijkt. Het ‘Uitbetalingsoverzicht KOT 2014’ [7] laat bovendien zien dat de eerste uitbetaling van de kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014, waarna er vervolgens maandelijks is uitbetaald tot en met 20 november 2014.
13.3
In het feit dat aan eiseres een vergoeding is toegekend vanwege de tijd die zij kwijt is geweest aan regelzaken, kan, onder verwijzing naar de overwegingen 13.1 en 13.2, geen impliciete erkenning worden gelezen dat de problemen met de kinderopvangtoeslag reeds in mei 2014 zijn begonnen. In dat kader is relevant dat de CWS ervan uitgaat dat alle (gedupeerde) ouders tijd kwijt zijn geweest aan problemen met de kinderopvangtoeslag, onder meer voor de tijd die nodig was voor afspraken bij advocaten, het Juridisch Loket, de gemeente, afspraken met bewindvoerders of met verweerder, het voeren van procedures, tijd
die nodig was om de gevraagde stukken te verzamelen of tijd die in de wacht is doorgebracht bij de Belastingtelefoon. De CWS wil in het kader van ruimhartigheid die tijd compenseren en hanteert daarvoor bepaalde vastgestelde bedragen, zoals vermeld in het schadekader [8] .
13.4.
Eiseres heeft in het beroepschrift daarnaast nog aangevoerd dat zij door de problemen met de kinderopvangtoeslag geen kinderopvangtoeslag meer durfde aan te vragen, waardoor zij niet in staat was om weer aan het werk te gaan. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag veel stress heeft veroorzaakt bij eiseres en haar gezin. Voor het vergoeden van de gestelde inkomensschade dient echter sprake te zijn van een causaal verband tussen het handelen van verweerder en de geleden schade. Dit causale verband heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De tijdlijn van de objectief vastgestelde feiten en omstandigheden komt niet overeen met de door eiseres geschetste tijdlijn over het ontstaan van de gestelde inkomensachteruitgang. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor de door eiseres in dit verband gestelde schade.
Kosten van vrije dagen
14. Uit het advies van de CWS volgt dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van deze schadepost. De kinderopvangtoeslagproblematiek is immers begonnen op
30 december 2014, zodat het opnemen van vrije dagen in de periode daarvoor niet gelinkt kan worden aan het handelen van verweerder. De verwijzing van eiseres naar de uitvraagbrief van verweerder van 26 mei 2014 [9] , maakt niet dat deze schadepost daarmee aannemelijk is gemaakt. In de periode na 30 december 2014 ontving eiseres een bijstandsuitkering, zodat geen sprake kan zijn van het opnemen van vrije dagen. Voor wat betreft de partner van eiseres, is de rechtbank met de CWS en de bac van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de partner veel vrij heeft moeten nemen voor afspraken die specifiek betrekking hebben op de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank ziet geen grond om het oordeel van de CWS hierover onjuist te achten, te meer omdat eiseres daar niks concreets tegenover heeft gesteld.
Vermogensschade
15. In wat eiseres naar voren heeft gebracht en de stukken die zij heeft overgelegd, heeft de CWS geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van een causaal verband tussen de gestelde vermogensschade van eiseres en het handelen van verweerder. Eiseres heeft ook in beroep geen begin van bewijs geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat sprake is van vermogensschade die veroorzaakt is door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
16. Eiseres heeft wel nog aangevoerd dat de problemen met de kinderopvangtoeslag een domino-effect op de huurtoeslag tot gevolg hebben gehad, waardoor de uitbetaling van de huurtoeslag opgeschort is geweest en eiseres vermogensschade heeft geleden. De rechtbank stelt voorop dat de Wht gescheiden compensatietrajecten kent en op grond van dit beroep kan alleen de werkelijke schade worden vergoed als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in zoverre vermogensschade heeft geleden wat verband houdt met het hier relevante handelen van verweerder in het kader van de kinderopvangtoeslag 2014. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de toelichting van verweerder dat eiseres voor het jaar 2014 geen recht had op huurtoeslag en dat zij voor alle jaren waarin recht bestond op huurtoeslag ook daadwerkelijk het jaarrecht toegekend heeft gekregen. [10] Eiseres heeft in dit verband weliswaar verwezen naar de gespreksnotities [11] van verweerder, maar op basis van die informatie is niet aannemelijk gemaakt dat de hier gestelde vermogensschade het directe gevolg is van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De gespreksnotities van 27 februari 2015, 10 juni 2015, 11 juli 2016 en 13 juli 2016 onderbouwen bovendien dat de huurtoeslagproblemen die eiseres heeft ervaren niet in verband staan met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Voor zover eiseres meent dat zij in het kader van de huurtoeslag institutioneel vooringenomen is behandeld, zal zij een beroep moeten doen op de zogeheten hzk-regeling [12] .
Reiskosten, andere extra kosten en de kosten van dwanginvordering
17. Eiseres heeft in beroep geen concrete gronden aangevoerd die zich richten op de toegekende reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’. Eiseres heeft weliswaar verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen, maar heeft daarbij niet aangegeven waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend is. Voor zover eiseres met betrekking tot de reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’ verwijst naar hetgeen zij in bezwaar naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat een verwijzing daarnaar onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan.
Immateriële schadevergoeding
18. Met betrekking tot de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting een interne berekening overgelegd en toegelicht dat daaruit blijkt dat reeds rekening is gehouden met deze schadepost. De gemachtigde van eiseres en ook de rechtbank hebben ter zitting aan de hand van de interne berekening geconstateerd dat verweerder voor deze schadepost twee keer een bedrag van € 750 aan eiseres heeft toegekend. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het bestreden besluit voor bouwsteen A is uitgegaan van een totaalbedrag van € 8.250, terwijl de interne berekening van verweerder uitgaat van een totaalbedrag van € 9.750. Indien en voor zover de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’ nog niet is uitbetaald aan eiseres, draagt de rechtbank verweerder op om daar zorg voor te dragen.
19. De bac heeft verweerder geadviseerd om de immateriële schadevergoeding te verhogen in verband met de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’. Verweerder is van dit advies afgeweken, omdat deze schadepost reeds door de CWS zou zijn meegenomen in de berekening van bouwsteen A onder de factor ‘weigering persoonlijke betalingsregeling/medewerking schuldenregeling’. De rechtbank is echter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven omdat het niet berust op een deugdelijke motivering. De CWS heeft bij het berekenen van de immateriële schadevergoeding inderdaad rekening gehouden met de kwalificatie opzet/grove schuld en het in verband daarmee weigeren van een betalingsregeling en het toepassen van dwangverrekening, maar de CWS heeft zich niet uitgelaten over het afwijzen van de schuldhulpverlening in 2018. Deze schadepost is dus niet kenbaar betrokken in de besluitvorming van verweerder. Verweerder dient daarom alsnog een vergoeding aan eiseres toe te kennen voor de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’. Het beroep is in zoverre gegrond.
20. Eiseres heeft aangevoerd dat zij gedurende enige tijd met haar kinderen op een zolder heeft moeten slapen en zij vindt dat verweerder deze gebeurtenis had moeten betrekken in de berekening van bouwsteen A. Verweerder heeft niet betwist dat eiseres tijdelijk dakloos is geweest en met haar kinderen op een zolder heeft moeten slapen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze gebeurtenis en daarmee heeft verweerder ook deze schadepost niet kenbaar betrokken in zijn besluitvorming. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is ook hierom gegrond en verweerder dient een nieuw besluit te nemen. De rechtbank geeft verweerder mee om in het nieuw te nemen besluit acht te slaan op de recente versie van het schadekader [13] van de CWS, waarin voor bouwsteen A een vergoeding is gekoppeld van € 5.000 voor de factor ‘dak- of thuisloosheid’.
21. Eiseres heeft daarnaast gesteld dat verweerder bij het berekenen van de schadevergoeding voor bouwsteen A ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de factor ‘sociale impact op het leven van de ouder’, omdat eiseres en haar partner door alle problemen gedurende enige tijd uit elkaar zijn geweest, hetgeen ook zijn weerslag heeft gehad op de kinderen. Volgens eiseres had verweerder ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat de partner zich schaamde vanwege het loonbeslag, de BKR-registratie en de omstandigheid dat het gezin etnisch werd geprofileerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom al het voorgaande niet voor een schadevergoeding in aanmerking komt. Zo heeft verweerder toegelicht dat de eerste invorderingshandeling juist plaatsvond in de periode dat eiseres en haar partner weer bij elkaar waren, waardoor het niet aannemelijk is dat de problemen met de kinderopvangtoeslag tot een scheiding hebben geleid. In bouwsteen B is voorts rekening gehouden met de immateriële schade van de kinderen. Ten aanzien van het loonbeslag stelt verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CWS, dat er geen verband is met de kinderopvangtoeslagproblematiek. De BKR-registratie is meegewogen in bouwsteen A en is gekoppeld aan de factor ‘tijdsduur dat de kinderopvangtoeslagschuld de ouder boven het hoofd hing’. Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er in onderhavig
geval etnisch is geprofileerd. De rechtbank kan deze onderbouwing volgen en ziet in dat wat eiseres hierover heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in zoverre aanleiding bestaat voor het toekennen van een hogere vergoeding voor de immateriële schade.
22. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat de berekening van bouwsteen A ten onrechte is beperkt tot 6 factoren en dat verweerder heeft nagelaten om aan de hand van het verhaal van eiseres te onderzoeken of andere factoren van toepassing zouden kunnen zijn.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat aanvankelijk 11 factoren van toepassing waren en dat in het bestreden besluit 13 factoren, met een waarde van € 750 per factor, van toepassing zijn geacht, hetgeen de gemachtigde van eiseres ook ter zitting heeft bevestigd. Verweerder heeft toegelicht dat hij bij het berekenen van de schadevergoeding voor bouwsteen A het geldende normbedrag van de CWS van € 750 per factor tot uitgangspunt heeft genomen. Het is dan aan eiseres om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die aanleiding kunnen zijn om het normbedrag van € 750 te verhogen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het gehanteerde normbedrag van € 750 per factor te laag zou zijn. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen over het causale verband tussen de kinderopvangtoeslagproblematiek en de door eiseres geschetste tijdlijn van gebeurtenissen. Eiseres heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij in afwijking van het geldende normbedrag in aanmerking moet komen voor een hogere schadevergoeding per factor. De rechtbank heeft daarbij tevens van belang geacht dat deze procedure alleen ziet op de kinderopvangtoeslag en niet ook op de gevolgschade die eiseres in het kader van de huurtoeslag stelt te hebben geleden.
23. De rechtbank stelt tot slot vast dat sprake is van een discrepantie tussen de ter zitting overgelegde interne berekening van verweerder voor wat betreft bouwsteen B, en het bedrag wat in het bestreden besluit voor deze bouwsteen aan eiseres is toegekend.
Overschrijding redelijke termijn
24. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een forfaitair tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [14] Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
25. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 september 2022 en daarop beslist bij het bestreden besluit van 16 december 2024. Tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond drie jaren en zeven maanden verstreken. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en zeven maanden en daarmee tot een vergoeding wegens geleden immateriële schade van € 2.000. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiseres van € 2.000.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is gegrond, omdat verweerder de immateriële schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. Verweerder moet in zoverre een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
27. Gelet op het voorgaande is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 en de proceskosten vergoedt. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder de in bezwaar gemaakte kosten terecht niet heeft vergoed. Kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [15] In het geval van eiseres is het bestreden besluit het gevolg van het gewijzigde schadekader van de CWS. Die situatie is niet aan te merken als een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [16]
28. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de aanvullende immateriële schadevergoeding;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het beleidskader om de werkelijke schade te beoordelen is gewijzigd op 1 juli 2024.
3.Als bedoeld in artikel 3:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie productie 33 van het bezwaardossier.
5.Zie productie 14 van het bezwaardossier.
6.Zie de bijlage bij productie 31 van het bezwaardossier.
7.Zie productie 32 van het bezwaardossier.
8.Zie paragraaf 3.2 van ‘De werkwijze en het schadekader’ van de CWS.
9.Zie voetnoot 6.
10.Producties 55 tot en met 60 van het bezwaardossier.
11.Productie 16 van het bezwaardossier.
12.www.hzkregeling.nl
13.www.werkelijkeschade.nl/documenten/2025/12/22/werkwijze-en-schadekader-cws.
15.Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.