13.4.Eiseres heeft in het beroepschrift daarnaast nog aangevoerd dat zij door de problemen met de kinderopvangtoeslag geen kinderopvangtoeslag meer durfde aan te vragen, waardoor zij niet in staat was om weer aan het werk te gaan. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag veel stress heeft veroorzaakt bij eiseres en haar gezin. Voor het vergoeden van de gestelde inkomensschade dient echter sprake te zijn van een causaal verband tussen het handelen van verweerder en de geleden schade. Dit causale verband heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De tijdlijn van de objectief vastgestelde feiten en omstandigheden komt niet overeen met de door eiseres geschetste tijdlijn over het ontstaan van de gestelde inkomensachteruitgang. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor de door eiseres in dit verband gestelde schade.
14. Uit het advies van de CWS volgt dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van deze schadepost. De kinderopvangtoeslagproblematiek is immers begonnen op
30 december 2014, zodat het opnemen van vrije dagen in de periode daarvoor niet gelinkt kan worden aan het handelen van verweerder. De verwijzing van eiseres naar de uitvraagbrief van verweerder van 26 mei 2014, maakt niet dat deze schadepost daarmee aannemelijk is gemaakt. In de periode na 30 december 2014 ontving eiseres een bijstandsuitkering, zodat geen sprake kan zijn van het opnemen van vrije dagen. Voor wat betreft de partner van eiseres, is de rechtbank met de CWS en de bac van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de partner veel vrij heeft moeten nemen voor afspraken die specifiek betrekking hebben op de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank ziet geen grond om het oordeel van de CWS hierover onjuist te achten, te meer omdat eiseres daar niks concreets tegenover heeft gesteld.
15. In wat eiseres naar voren heeft gebracht en de stukken die zij heeft overgelegd, heeft de CWS geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van een causaal verband tussen de gestelde vermogensschade van eiseres en het handelen van verweerder. Eiseres heeft ook in beroep geen begin van bewijs geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat sprake is van vermogensschade die veroorzaakt is door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
16. Eiseres heeft wel nog aangevoerd dat de problemen met de kinderopvangtoeslag een domino-effect op de huurtoeslag tot gevolg hebben gehad, waardoor de uitbetaling van de huurtoeslag opgeschort is geweest en eiseres vermogensschade heeft geleden. De rechtbank stelt voorop dat de Wht gescheiden compensatietrajecten kent en op grond van dit beroep kan alleen de werkelijke schade worden vergoed als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in zoverre vermogensschade heeft geleden wat verband houdt met het hier relevante handelen van verweerder in het kader van de kinderopvangtoeslag 2014. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de toelichting van verweerder dat eiseres voor het jaar 2014 geen recht had op huurtoeslag en dat zij voor alle jaren waarin recht bestond op huurtoeslag ook daadwerkelijk het jaarrecht toegekend heeft gekregen.Eiseres heeft in dit verband weliswaar verwezen naar de gespreksnotitiesvan verweerder, maar op basis van die informatie is niet aannemelijk gemaakt dat de hier gestelde vermogensschade het directe gevolg is van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De gespreksnotities van 27 februari 2015, 10 juni 2015, 11 juli 2016 en 13 juli 2016 onderbouwen bovendien dat de huurtoeslagproblemen die eiseres heeft ervaren niet in verband staan met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Voor zover eiseres meent dat zij in het kader van de huurtoeslag institutioneel vooringenomen is behandeld, zal zij een beroep moeten doen op de zogeheten hzk-regeling.
Reiskosten, andere extra kosten en de kosten van dwanginvordering
17. Eiseres heeft in beroep geen concrete gronden aangevoerd die zich richten op de toegekende reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’. Eiseres heeft weliswaar verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen, maar heeft daarbij niet aangegeven waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend is. Voor zover eiseres met betrekking tot de reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’ verwijst naar hetgeen zij in bezwaar naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat een verwijzing daarnaar onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan.
Immateriële schadevergoeding
18. Met betrekking tot de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting een interne berekening overgelegd en toegelicht dat daaruit blijkt dat reeds rekening is gehouden met deze schadepost. De gemachtigde van eiseres en ook de rechtbank hebben ter zitting aan de hand van de interne berekening geconstateerd dat verweerder voor deze schadepost twee keer een bedrag van € 750 aan eiseres heeft toegekend. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het bestreden besluit voor bouwsteen A is uitgegaan van een totaalbedrag van € 8.250, terwijl de interne berekening van verweerder uitgaat van een totaalbedrag van € 9.750. Indien en voor zover de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’ nog niet is uitbetaald aan eiseres, draagt de rechtbank verweerder op om daar zorg voor te dragen.
19. De bac heeft verweerder geadviseerd om de immateriële schadevergoeding te verhogen in verband met de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’. Verweerder is van dit advies afgeweken, omdat deze schadepost reeds door de CWS zou zijn meegenomen in de berekening van bouwsteen A onder de factor ‘weigering persoonlijke betalingsregeling/medewerking schuldenregeling’. De rechtbank is echter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven omdat het niet berust op een deugdelijke motivering. De CWS heeft bij het berekenen van de immateriële schadevergoeding inderdaad rekening gehouden met de kwalificatie opzet/grove schuld en het in verband daarmee weigeren van een betalingsregeling en het toepassen van dwangverrekening, maar de CWS heeft zich niet uitgelaten over het afwijzen van de schuldhulpverlening in 2018. Deze schadepost is dus niet kenbaar betrokken in de besluitvorming van verweerder. Verweerder dient daarom alsnog een vergoeding aan eiseres toe te kennen voor de schadepost ‘afwijzing van de schuldhulpverlening in 2018’. Het beroep is in zoverre gegrond.
20. Eiseres heeft aangevoerd dat zij gedurende enige tijd met haar kinderen op een zolder heeft moeten slapen en zij vindt dat verweerder deze gebeurtenis had moeten betrekken in de berekening van bouwsteen A. Verweerder heeft niet betwist dat eiseres tijdelijk dakloos is geweest en met haar kinderen op een zolder heeft moeten slapen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze gebeurtenis en daarmee heeft verweerder ook deze schadepost niet kenbaar betrokken in zijn besluitvorming. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is ook hierom gegrond en verweerder dient een nieuw besluit te nemen. De rechtbank geeft verweerder mee om in het nieuw te nemen besluit acht te slaan op de recente versie van het schadekadervan de CWS, waarin voor bouwsteen A een vergoeding is gekoppeld van € 5.000 voor de factor ‘dak- of thuisloosheid’.
21. Eiseres heeft daarnaast gesteld dat verweerder bij het berekenen van de schadevergoeding voor bouwsteen A ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de factor ‘sociale impact op het leven van de ouder’, omdat eiseres en haar partner door alle problemen gedurende enige tijd uit elkaar zijn geweest, hetgeen ook zijn weerslag heeft gehad op de kinderen. Volgens eiseres had verweerder ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat de partner zich schaamde vanwege het loonbeslag, de BKR-registratie en de omstandigheid dat het gezin etnisch werd geprofileerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom al het voorgaande niet voor een schadevergoeding in aanmerking komt. Zo heeft verweerder toegelicht dat de eerste invorderingshandeling juist plaatsvond in de periode dat eiseres en haar partner weer bij elkaar waren, waardoor het niet aannemelijk is dat de problemen met de kinderopvangtoeslag tot een scheiding hebben geleid. In bouwsteen B is voorts rekening gehouden met de immateriële schade van de kinderen. Ten aanzien van het loonbeslag stelt verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CWS, dat er geen verband is met de kinderopvangtoeslagproblematiek. De BKR-registratie is meegewogen in bouwsteen A en is gekoppeld aan de factor ‘tijdsduur dat de kinderopvangtoeslagschuld de ouder boven het hoofd hing’. Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er in onderhavig
geval etnisch is geprofileerd. De rechtbank kan deze onderbouwing volgen en ziet in dat wat eiseres hierover heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in zoverre aanleiding bestaat voor het toekennen van een hogere vergoeding voor de immateriële schade.
22. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat de berekening van bouwsteen A ten onrechte is beperkt tot 6 factoren en dat verweerder heeft nagelaten om aan de hand van het verhaal van eiseres te onderzoeken of andere factoren van toepassing zouden kunnen zijn.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat aanvankelijk 11 factoren van toepassing waren en dat in het bestreden besluit 13 factoren, met een waarde van € 750 per factor, van toepassing zijn geacht, hetgeen de gemachtigde van eiseres ook ter zitting heeft bevestigd. Verweerder heeft toegelicht dat hij bij het berekenen van de schadevergoeding voor bouwsteen A het geldende normbedrag van de CWS van € 750 per factor tot uitgangspunt heeft genomen. Het is dan aan eiseres om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die aanleiding kunnen zijn om het normbedrag van € 750 te verhogen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het gehanteerde normbedrag van € 750 per factor te laag zou zijn. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen over het causale verband tussen de kinderopvangtoeslagproblematiek en de door eiseres geschetste tijdlijn van gebeurtenissen. Eiseres heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij in afwijking van het geldende normbedrag in aanmerking moet komen voor een hogere schadevergoeding per factor. De rechtbank heeft daarbij tevens van belang geacht dat deze procedure alleen ziet op de kinderopvangtoeslag en niet ook op de gevolgschade die eiseres in het kader van de huurtoeslag stelt te hebben geleden.
23. De rechtbank stelt tot slot vast dat sprake is van een discrepantie tussen de ter zitting overgelegde interne berekening van verweerder voor wat betreft bouwsteen B, en het bedrag wat in het bestreden besluit voor deze bouwsteen aan eiseres is toegekend.
Overschrijding redelijke termijn
24. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een forfaitair tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
25. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 september 2022 en daarop beslist bij het bestreden besluit van 16 december 2024. Tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond drie jaren en zeven maanden verstreken. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en zeven maanden en daarmee tot een vergoeding wegens geleden immateriële schade van € 2.000. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiseres van € 2.000.