ECLI:NL:RBDHA:2026:5133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL25.47614
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 24 september 2025 is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 14 januari 2026 was eiser niet aanwezig, maar zijn gemachtigde wel.

Na de zitting ontving de rechtbank op 4 februari 2026 een bericht van de minister dat eiser op 23 januari 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heropende het onderzoek en verzocht de gemachtigde van eiser om een reactie. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft.

De rechtbank oordeelt dat het vertrek met onbekende bestemming kan betekenen dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Gezien het ontbreken van recente contactgegevens en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat eiser nog belang heeft bij de procedure, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de behandeling op zitting gesloten.
2.3.
Op 4 februari 2026 heeft de rechtbank een brief van de minister ontvangen met de melding dat eiser op 23 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 12 februari 2026 heropend en gemachtigde van eiser verzocht om een schriftelijke reactie. Gemachtigde van eiser heeft op 27 februari 2026 een reactie gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 9 maart 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog procesbelang?
3. De omstandigheid dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming (mob) vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 echter overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [1] Er mag van uitgegaan worden dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure.
4. De minister heeft in zijn bericht van 4 februari 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming vertrokken is gemeld. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). De rechtbank heeft op 12 februari 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft in het bericht van 27 februari 2026 laten weten sinds de zitting geen contact meer te hebben met eiser, dat eiser niet reageert op de e-mails van gemachtigde en dat het telefoonnummer van eiser niet meer in gebruik is. Gemachtigde geeft aan dat ze niet weet waar eiser op dit moment verblijft en of hij nog belang heeft bij het voortzetten van de procedure.
5. Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland of op een inhoudelijk beoordeling van zijn beroep. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.7.