Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/09/689366 / HA RK 25-388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidWet van 7 juni 2023, Staatsblad 2023, 230Art. 8 lid 1 Wet op het Turkse staatsburgerschapArt. 11 e.v. Wet op het Turkse staatsburgerschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster en minderjarige geboren in Nederland

Verzoekster, geboren in 2001 op de Gazastrook, en haar minderjarige kind, geboren in 2023 in Nederland, hebben een verzoek ingediend tot vaststelling van staatloosheid. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid en het advies van de Staat der Nederlanden, die het verzoek steunde.

De rechtbank nam de Palestijnse gebieden en Turkije mee in haar beoordeling. Verzoekster en haar kind worden geacht van Palestijnse afkomst te zijn, maar Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd. Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoekster en haar kind de Turkse nationaliteit bezitten, mede door het ontbreken van bewijs van verblijf en verblijfsduur in Turkije.

Op grond van deze feiten en het juridische kader stelde de rechtbank vast dat verzoekster en haar minderjarige kind staatloos zijn. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster en haar minderjarige kind staatloos zijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-388
Zaaknummer: C/09/689366
Datum beschikking: 10 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 29 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
mede namens de minderjarige:
[minderjarige],geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: T. Stelpstra.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 3 oktober 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 7 oktober 2025 van verzoekster;
- de brief van 15 oktober 2025 van de Staat, met bijlagen;
- de brief van 6 november 2025 van verzoekster;
- het e-mailbericht van 7 november 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 7 november 2025 van verzoekster;
- het e-mailbericht van 5 januari 2026 van verzoekster, met bijlagen.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster en de minderjarige.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is op [geboortedatum 2] 2001 geboren op de Gazastrook.
- Verzoekster is via Turkije naar Nederland gereisd, waar zij op 6 december 2022 is aangekomen.
- De minderjarige [minderjarige] is op [geboortedatum 1] 2023 in Nederland geboren.
- Verzoekster heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten:
- een Familie registratiekaart, afgegeven door de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA);
- een Palestijnse identiteitskaart ten name van verzoekster;
- geboorteaktes van verzoekster en de minderjarige.
- Op 29 december 2025 is door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch aan verzoekster machtiging verleend om namens de minderjarige [minderjarige] in deze procedure in rechte op te treden.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster en de minderjarige in Nederland wonen. Verder is niet in geschil dat verzoekster en de minderjarige onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster en de minderjarige te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt van Palestijnse afkomst te zijn en haar hele leven, tot aan haar vlucht, in Gaza te hebben gewoond. De rechtbank betrekt Turkije bij de beoordeling omdat verzoekster tijdens haar aanmeldgehoor van 20 juni 2023 heeft verklaard dat ze in november 2020 middels een toeristenvisum Turkije is ingereisd en dat ze voor Turkije een verblijfsvergunning voor de duur van een jaar heeft gehad. Volgens haar verklaring is verzoekster in oktober 2022 uit Turkije vertrokken.
Worden verzoekster en de minderjarige als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is.
De minderjarige [minderjarige] is geboren in Nederland tijdens het huwelijk van verzoekster en [naam] . Het is de Staat ambtshalve bekend dat [naam] ook is geboren op de Gazastrook en van Palestijnse afkomst is. Bij de op dit moment in behandeling zijnde nareis aanvraag is een kopie van een Palestijns paspoort en een kopie van een Spaans verblijfsdocument waarop zijn nationaliteit is geregistreerd als Palestijns overgelegd, aldus de Staat. Voorts wordt hij genoemd op de door verzoekster overgelegde kopie van de UNWRA Familie registratiekaart als afkomstig uit Gaza. Tot slot zijn er geen aanwijzingen dat hij over een andere nationaliteit beschikt.
Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de minderjarige [minderjarige] ook van Palestijnse afkomst is.
Voor zover verzoekster en [minderjarige] de Palestijnse nationaliteit hebben, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw).
Van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster en daarmee de minderjarige de Turkse nationaliteit heeft. Dit wordt nog ondersteund door het feit dat verzoekster geen documenten heeft overgelegd die haar verblijf en verblijfsduur in Turkije bevestigen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster en de minderjarige [minderjarige] vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat:
- [verzoekster]
,geboren op [geboortedatum 2] 2001 op de Gazastrook;
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] ;
staatloos zijn.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2026.