ECLI:NL:RBDHA:2026:5213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/2597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 1.22 bestemmingsplanArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor bedrijfswoning wegens ontbrekende noodzakelijkheid

Eiser heeft op 19 september 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om een bedrijfswoning te realiseren op een agrarisch perceel. Het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem heeft deze vergunning geweigerd en dit besluit gehandhaafd. Eiser stelde beroep in tegen deze weigering.

De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 behandeld en beoordeelt dat het college terecht heeft besloten de vergunning te weigeren. Het college baseerde zich op een deskundigenadvies van de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie (Stichting ABC), dat stelt dat de bedrijfswoning niet noodzakelijk is. Eiser voerde aan dat het advies onzorgvuldig was en dat er een redelijk belang bestond vanwege de arbeidsintensieve en kwetsbare teelt, maar de rechtbank achtte deze argumenten onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat het criterium van noodzakelijkheid strikt moet worden toegepast om wildgroei van bedrijfswoningen te voorkomen. Het feit dat eiser op korte afstand woont en dat moderne technieken zoals camera’s en sensoren toezicht op afstand mogelijk maken, weegt mee. Ook sociale omstandigheden kunnen niet leiden tot noodzakelijkheid. Daarnaast is niet gebleken dat het bedrijf sinds 2014 zonder bedrijfswoning niet acceptabel functioneerde.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden, omdat geen vergelijkbare situatie is vastgesteld met een nabijgelegen bedrijf dat wel een bedrijfswoning heeft gekregen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2597

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen)
en

het College van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem,

(gemachtigde: mr. W. Brakenhoff).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning aan eiser voor het realiseren van een bedrijfswoning op de locatie [adres 1] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de weigering van de vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 september 2023 een aanvraag ingediend voor de vergunning. Deze aanvraag ziet op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd en dit standpunt bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) gehandhaafd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, [naam 1] van het bureau [adviesbureau] en vergezeld door [naam 2], zijn partner. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] van de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie (Stichting ABC).

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college zich – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt gesteld dat het realiseren van een bedrijfswoning voor eiser niet noodzakelijk is. Het college baseert zijn besluit op het deskundigenadvies van 11 maart 2024 van de Stichting ABC. De argumenten van eiser zijn van sociale aard en volstaan daarom niet om noodzakelijkheid voor de aanwezigheid van een bedrijfswoning aan te nemen. Eiser woont op geringe afstand van zijn bedrijf (3 minuten met de auto en 4 minuten met de fiets). De kans op veiligheidsrisico’s is klein, gelet op deze geringe afstand.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat project geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
4.2.
Op grond van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” rust op het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden”.
4.3.
Op grond van artikel 1.22 van het bestemmingsplan is een bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of terrein.
Noodzaak bedrijfswoning
5. Eiser betoogt dat het realiseren van de bedrijfswoning noodzakelijk is voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. Het advies van de Stichting ABC is onzorgvuldig tot stand gekomen, want daarin wordt ten onrechte niet als criterium het redelijk belang van eiser gehanteerd, terwijl dit op grond van uitspraken [1] van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) wel zou moeten. Door het criterium te hanteren dat bedrijfsvoering zonder een bedrijfswoning onmogelijk is, zoals de Stichting ABC doet, zijn planologische mogelijkheden voor een bedrijfswoning illusoir. Ook is onjuist dat de aangevoerde redenen hoofdzakelijk van sociale aard zijn en dat objectieve en verifieerbare argumenten ontbreken. Vanwege de kwetsbaarheid van zijn teelt en omdat zijn bedrijf zeer arbeidsintensief is, is permanent toezicht op de teelt onmisbaar. Met middelen als cameratoezicht en sensoren is het niet mogelijk om de negatieve gevolgen van bijvoorbeeld de weersomstandigheden voor de teelt te voorkomen. Permanent toezicht vanuit de huidige woning op de teelt brengt voor eiser een onevenredige belasting met zich mee. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het rapport van 26 juni 2024 van [expertisebureau] ([expertisebureau]) en het rapport “Onderbouwing noodzaak bedrijfswoning” van 30 april 2025 van [adviesbureau]. Eiser voert verder aan dat uit de conclusie van de Stichting ABC dat een bedrijfswoning voor de agrarische bedrijfsvoering van eiser doelmatig is, een redelijk belang om op het perceel te wonen kan worden afgeleid.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de Stichting ABC een onafhankelijk deskundig adviseur is, gespecialiseerd in het beoordelen van agrarische bouwaanvragen. Het advies van de Stichting ABC is zorgvuldig tot stand gekomen. Het criterium ‘redelijk belang’ is geen absoluut criterium, maar één van de criteria om het noodzakelijkheids-vereiste in te vullen. [expertisebureau] daarentegen is geen deskundige op het gebied van noodzakelijkheid van agrarische bedrijfswoningen, en zijn advies kan daarom niet als tegenadvies worden aangemerkt. Het college kon daarom zijn besluit baseren op het rapport van stichting ABC.
5.2.
Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [2] Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies ingaan.
5.3.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eiser de noodzakelijkheid van de bedrijfswoning niet aannemelijk heeft gemaakt. Het college heeft daarbij van belang mogen achten dat het wonen op het terrein van het bedrijf weliswaar voordelig en doelmatig is, maar dat dit ontoereikend is om tot noodzakelijkheid te komen. Het noodzakelijkheidsvereiste heeft als doel om wildgroei van bedrijfswoningen tegen te gaan. In het advies van Stichting ABC wordt toegelicht waarom van noodzakelijkheid geen sprake is. Toegelicht wordt dat er geen objectieve en verifieerbare argumenten zijn om noodzakelijkheid aan te nemen, Voor een bedrijf met ‘plantaardige’ voortbrenging kan, anders dan bij vee, een woning in de huidige tijd niet altijd als ‘noodzakelijk’ gezien worden. Door middel van onder meer camera’s en sensoren kunnen controles op afstand verricht worden. De aanwezigheid van een bedrijfswoning voorkomt geen stormschade en eventuele schade aan kassen kan ook op afstand geconstateerd worden. Lange werkdagen en late werktijden in bepaalde perioden van het jaar kunnen sociaal belastend zijn, maar zijn ook inherent aan de gevoerde teelten. Net als de privésituatie, met onder meer een ziek kind dat thuis verzorging nodig heeft als de partner van eiser afwezig is, moeten lange werkdagen worden aangemerkt als sociale omstandigheden die niet tot noodzakelijkheid kunnen leiden. Een intensieve teelt alleen, zo heeft de Stichting ABC ter zitting toegelicht, maakt een bedrijfswoning niet noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van de Stichting ABC voldoende draagkrachtig gemotiveerd. Verder acht de rechtbank de veiligheidsrisico’s gering, gelet op de korte afstand tot de woning van eiser. Eiser heeft niet met concrete voorbeelden onderbouwd, laat staan gekwantificeerd, dat deze afstand in het verleden tot problemen heeft geleid, die niet zouden zijn ontstaan als hij direct bij zijn bedrijf had gewoond. Toezicht vanuit een bedrijfswoning op het terrein, zoals beargumenteerd in het advies van [expertisebureau], brengt geen noodzakelijkheid met zich mee. In het rapport van [adviesbureau] wordt weliswaar geconcludeerd dat de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam 1] ter plaatse zoveel tijd en aandacht vraagt, dat er een redelijk belang is om op het perceel te wonen, maar ook in dit rapport wordt dit niet met concrete, verifieerbare gegevens onderbouwd. De aangevoerde voorbeelden maken dit niet anders. Niet valt in te zien dat een probleem met de geautomatiseerde zonwering wel tijdig worden opgelost indien eiser in de bedrijfswoning zou wonen, gelet op het feit dat het systeem zelf geen foutmelding gaf, zoals eiser heeft toegelicht, en binnen één minuut moet worden gereageerd op bezonning om schade aan de teelt te voorkomen. Verder kunnen Ilex planten niet worden aangemerkt als kritische teelt, gelet op het feit dat Ilex planten buiten worden gekweekt en alleen tegen de vorst moeten worden beschermd. De rechtbank acht tot slot van belang dat het bedrijf sinds 2014 zonder bedrijfswoning heeft kunnen functioneren en dat niet is gebleken dat in die periode geen acceptabele resultaten konden worden behaald. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eiser betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan het naastgelegen bedrijf [bedrijfsnaam 2] ([bedrijfsnaam 2]) aan de [adres 2] in [plaats], een volgens eiser vergelijkbaar geval, wel een bedrijfswoning te vergunnen. [bedrijfsnaam 2] was voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning woonachtig op het adres [adres 3] in [plaats], op een geringere afstand van zijn bedrijf dan eiser van zijn bedrijf woont.
6.1.
De rechtbank volgt het college in zijn oordeel dat van een vergelijkbare situatie geen sprake is. Niet gebleken is dat aan [bedrijfsnaam 2] een vergunning is verleend voor een bedrijfswoning. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar een uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1697), 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2861) en 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:726).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:839.