ECLI:NL:RBDHA:2026:522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.26361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf op basis van onvoldoende financiële middelen en sociale binding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een Marokkaanse vrouw, en de minister van Buitenlandse Zaken over de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Eiseres had op 11 september 2024 een aanvraag ingediend om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken, maar deze aanvraag werd op 9 oktober 2024 afgewezen. De minister stelde dat eiseres niet voldoende had aangetoond dat zij over de benodigde financiële middelen beschikte en dat er redelijke twijfel bestond over haar voornemen om Nederland tijdig te verlaten. Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar werd op 20 mei 2025 kennelijk ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de zitting op 8 januari 2026 heeft de rechtbank de argumenten van beide partijen gehoord. Eiseres betoogde dat zij wel degelijk het doel van haar verblijf had aangetoond en dat haar echtgenoot en een tweede garantsteller voldoende financiële middelen hadden om haar te ondersteunen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor visumverlening, met name met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf. De rechtbank volgde echter de minister in zijn standpunt dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had aangetoond, wat haar tijdige terugkeer in gevaar zou kunnen brengen.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, maar oordeelde dat de minister in de proceskosten van eiseres moest worden veroordeeld vanwege de geconstateerde motiveringsgebreken. De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 1.868 en bepaalde dat het griffierecht van € 194 aan eiseres moest worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26361

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).

Procesverloop

Met het besluit van 9 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor afgifte van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1975 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 11 september 2024 heeft zij een aanvraag gedaan voor afgifte van een visum voor kort verblijf, om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van de weigeringsgronden onder artikel 32, eerste lid onder a, nummers ii en iii, en onder b, van de Visumcode. [1] Eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond en heeft niet aangetoond dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om zowel de duur van het voorgenomen verblijf als de reis te kunnen betalen. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens verweerder heeft eiseres de sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond. Eiseres heeft namelijk geen gezin in Marokko of zorg voor andere familieleden en heeft ook geen werk of inkomsten in Marokko.
Standpunt van eiseres
3. Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Zo heeft zij het doel wel aangetoond, ze wil namelijk op bezoek gaan bij haar echtgenoot. Ter zitting stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de twijfel aan tijdige terugkeer te betrekken bij de vraag of het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf voldoende is aangetoond. Verder beschikt referent over voldoende middelen om eiseres tijdens haar verblijf te ondersteunen en is er een tweede garantsteller. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet beschikt over voldoende financiële middelen. Daarnaast bestaat wel een sociale binding met Marokko. Ze woont haar hele leven in Marokko, en niet valt in te zien waarom zij haar leven in Marokko zou achterlaten om illegaal in Nederland te verblijven. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 januari 2023 [2] en zittingsplaats Den Haag van 29 mei 2024. [3] Tot slot stelt eiseres dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
(…)
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
iii. niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen;
(…)
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
5. Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode. Verweerder heeft veel beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen. [4] De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing).
Doel van het voorgenomen verblijf
6. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. In de aanvraag staat vermeld dat eiseres een bezoek wil brengen aan haar echtgenoot. Ook is hierbij de huwelijksakte overgelegd. De motivering van verweerder dat getwijfeld wordt aan de duur van het voorgenomen verblijf en dat daarom moet worden getwijfeld aan het doel volgt de rechtbank niet. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf is namelijk een zelfstandige afwijzingsgrond en dient daarom zelfstandig beoordeeld te worden. De beroepsgrond slaagt.
Voldoende financiële middelen
7. Ook is verweerder onvoldoende ingegaan op de door eiseres overgelegde documenten. Hieruit blijkt dat eiseres financieel door haar echtgenoot en een tweede garantsteller kan worden ondersteund tijdens haar verblijf en ook bij het bekostigen van de reis. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en dat de visumaanvraag kan worden afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel iii, van de Visumcode. De beroepsgrond slaagt.
Sociale en economische binding
8. De rechtbank volgt verweerder wel in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige economische en sociale binding heeft met Marokko dat tijdige terugkeer naar Marokko voldoende is gewaarborgd. Verweerder heeft in dat verband kunnen meewegen dat eiseres geen gezin heeft waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt en ook geen zorgtaken heeft voor andere familieleden. Verder is eiseres huisvrouw en uit de bankafschriften blijkt dat zij regelmatig een bijdrage ontvangt van referent om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Uit de bijlagen bij het bezwaarschrift volgt weliswaar dat eiseres deels eigenaar is van een woning, maar verweerder heeft dit onvoldoende kunnen vinden voor de conclusie dat sprake is van economische binding. De beroepsgrond slaagt niet.

Hoorplicht

9. Verweerder heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en hij heeft geen reden hoeven zien om eiseres te horen. Aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om haar visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft verweerder aan eiseres een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Marokko en de daaruit af te leiden twijfel over haar tijdige terugkeer, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022. [5] Eiseres heeft tot slot ook niet uitgelegd wat zij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat volgens haar tot een ander oordeel had kunnen leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Uit wat is overwogen in 8 volgt dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen op grond van artikel 32, eerste lid onder b, van de Visumcode. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. In verband met de in 6 en 7 geconstateerde motiveringsgebreken ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
4.Zie het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.