ECLI:NL:RBDHA:2026:522
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale binding en twijfel aan terugkeer
Eiseres, een Marokkaanse vrouw, vroeg op 11 september 2024 een visum voor kort verblijf aan om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende had aangetoond, onvoldoende financiële middelen kon aantonen en er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer.
Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij het doel wel had aangetoond, voldoende financiële ondersteuning had via haar echtgenoot en een garantsteller, en dat zij een sociale binding met Marokko heeft omdat zij daar haar hele leven woont. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het doel en de financiële middelen niet waren aangetoond, waardoor die gronden niet konden standhouden.
Echter, de rechtbank volgde verweerder in het oordeel dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Marokko heeft, mede omdat zij geen gezin of zorgtaken heeft en afhankelijk is van financiële steun van haar echtgenoot. Hierdoor is de terugkeer niet voldoende gewaarborgd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege motiveringsgebreken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale binding en twijfel aan terugkeer.