Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 30 januari 2024, terwijl de uiterste beslistermijn van 21 maanden was verstreken toen eiser op 8 januari 2026 een ingebrekestelling stuurde. Na het verstrijken van twee weken zonder besluit heeft eiser vervolgens beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de aard van het geschil.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober en is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.