Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 11 maart 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eisers stelden de minister op 28 augustus 2025 in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank overweegt dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden en dat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn van acht weken op, waarin de minister alsnog moet besluiten. Bij niet-naleving verbeurt de minister een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, en de minister niet tijdig heeft beslist noch in gebreke is gesteld vóór die datum. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 467 aan eisers, vanwege de inschakeling van een professionele hulpverlener en de aard van de procedure.
De rechtbank beschouwt de zaken als samenhangend vanwege familiebanden, gezamenlijke reis en gelijktijdige indiening van aanvragen, waardoor de dwangsom en proceskosten beperkt blijven tot het bedrag van één zaak. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 2 maart 2026.